30 juli 2016

Doe niet zo gevóélig!

By In verre 7 min

Ik lag in een bed in een hotel in Dalat in Vietnam en ik hoorde getik. Het getik werd een ergernis, en de ergernis een obsessie.

Er zijn mensen die een dergelijk geluid niet horen, of die het wel horen maar er niet naar luisteren. Van die types die al slapen voordat het vliegtuig is opgestegen en die nooit drie uur vóórdat de wekker gaat ontwaken. Types die hun hele leven nog nooit schapen hebben geteld, zelfs geen lammetjes. Zo’n type was de vriend.
‘Hoor je dat?’ vroeg ik weleens, ’s avonds in bed.
‘Wat?’ vroeg de vriend.
‘Dat gelúíd!’
‘Wélk geluid?’
En dan legde ik uit dat het klonk alsof er iemand met een spijker tegen het raam tikte of alsof er regen drupte op een metalen vuilnisbak of zoiets.
De vriend was stil.
‘Nee,’ zei de vriend. ‘Ik hoor niets.’
Diep en rustig ademde hij in en uit.
‘Nou,’ zei ik hardop, omdat ik teleurgesteld was, want als hij écht van me hield zou hij op zijn blote voeten het huis doorzoeken op gespuis. ‘Het is écht een heel vreemd geluid.’
Naast me snurkte de vriend.
‘Weet je wat het met jou is,’ zei ik, en ik stampte uit bed, want ik zou het allemaal zélf wel weer uitzoeken. ‘Jij lúístert niet!’
‘Sjussus, ga gewoon slapen,’ mompelde de vriend, en hij trok met een ruk het dekbed over zich heen. ‘En doe alsjeblieft niet zo gevóélig.’

De vriend was uit beeld. Er zat niets anders op dan zelf onder het bed door te kruipen om te controleren of het geluid niet veroorzaakt werd door een rat die met zijn staart kwispelde tegen de veren van het matras. Twintig keer draaide ik de douchekraan open en dicht om me ervan te vergewissen dat haar geen druppeltje dwars zat. Ik klopte op de kast om te horen of er een boktor was die zich door het hout heen knaagde, maar het geluid werd niet in mijn kamer werd veroorzaakt.
Ik sloop de gang op, die werd verlicht door knipperende TL-buizen. De deuren van de niet verhuurde kamers stonden wijd open, in de sloten hingen de sleutels. Ik liep verder; álle deuren, op de eerste én de tweede verdieping, stonden open. Halverwege de trap naar het dakterras stroomde een koele bries langs mijn benen.
Op het terras wapperde, verlicht in het maanlicht, mijn kleding aan een wasrek. Een T-shirt hing aan het haakje van een bh, een broek was op de grond gewaaid. Ik vroeg me af of het heel vreemd was om om twee uur ’s nachts op het dakterras van je hotel je eigen was af te halen, en toen hoorde ik het geluid weer. Driftig flipflopte ik heen en weer, op zoek naar het getik, dat, nu ik dichterbij was, soms ook leek te piepen en te knarsen. Wellicht was het een ring die tegen de muur aantikte door de wind, of een deur met een verroest scharnier. Of, dacht ik, misschien werd het wel met opzet door een mens veroorzaakt.
Nu ik erover nadacht: was het niet vreemd dat ik de enige gast in het hotel was? Was het niet verdacht dat er nooit iemand achter de receptie stond? Als ik iemand wilde spreken om de was te laten doen, of de sleutel wilde afgeven zodat ze de handdoeken in mijn badkamer konden vervangen, dan dwaalde ik door de benedenverdieping waar ze zeiden te wonen, klopte ik voorzichtig op deuren die nooit opengedaan werden, en liep ik door een keuken die altijd verlaten was. Uiteindelijk schreeuwde ik midden in de hal: ‘Hallo! Volk!’ Dan stiefelde oma uit een kamer, en die riep iemand die iemand riep, zodat ik na een kwartier mijn sleutel kon afgeven.
Oma leek lief, maar wellicht zat ze, zodra de deur weer was gesloten en ik was vertrokken, de hele dag achter haar bureau met vijfendertig 45inch cameraschermen. Of droeg grootje onder haar rokken een bomgordel.
En wat was de reden dat de hele receptie werd verbouwd en een gedeelte van de ramen werd dichtgemetseld. Wat zat er eigenlijk in dat cement? Botjes? Schuilde hier wellicht een psychopaat die mijn zielenroerselen had weten te doorgronden, iemand die wist hoe hij mij naar het dakterras moest lokken om me vervolgens over de rand te duwen, het hoekje om.
Ineens zag ik mezelf staan, in shirt, short en slippers. Welke idioot klom midden in de nacht naar het dak van het hotel op zoek naar de oorzaak van getik of geknars of gepiep. Ik was niet helemaal lekker. Rap liep ik de trap af en stapte weer in bed. Zo diep mogelijk stopte ik ohropaxwaxbolletjes in mijn oren. Ik ging op mijn zij liggen, trok over mijn oor het laken, en op het laken drukte ik een kussen, en ik zei tegen mezelf:  doe alsjeblieft niet zo gevóélig.