1 augustus 2016

Koffiejunkie

By In verre 8 min

In wezen ben ik een theeleut, want thee, dat is een verrukkelijke aftreksel van gedroogde blaadjes, en een verkwikkende drank, die geurt naar jasmijn, gember en sinaasappel, bergamot of roos! Toch was ik na een paar weken in de heuvels van Vietnam ongemerkt veranderd in een koffiejunkie met bloeddoorlopen ogen. Bij het opstaan beefden mijn handen zo erg dat mijn lenzen trillend op het topje van mijn wijsvinger lagen en ik alle moeite moest doen om de juiste lens in het juiste oog te krijgen. Onder de douche kon ik alleen maar aan boontjes denken. Zwart goud klaterde uit de kraan en koffieprut verstopte het afvoerputje.
Eenmaal aangekleed strompelde ik een cafeetje in Dalat binnen. Als ik niet onmiddellijk een kopje koffie geserveerd kreeg dan scharrelde ik zelf achter de bar langs naar de keuken. Ik trok het keukenkastje open en hing hyperventilerend met mijn neus boven de koffiepot om de geur van gemalen arabicaboontjes op te snuiven. Ik gaf haar de waterkoker aan, een kopje, de koffie, maar als ze genoeg van me kreeg gaf ze me een schop onder de kont en liep ik met de staart tussen mijn benen naar een tafeltje waar ik met trommelende vingers en hartverzakkingen op mijn koffie wachtte.
Soms bestelde ik een white coffee, koffie met gecondenseerde melk. De melk roerde ik er niet helemaal doorheen, waardoor er, als ik mijn koffie had opgedronken, nog een mierzoet goedje op de bodem lag dat ik eruit lepelde en opslurpte. Het bevatte zoveel suiker dat het glazuur van mijn kiezen knapte.
Maar zwarte koffie, geserveerd in een glas waarop een filtertje stond, had mijn voorkeur. In het filter zat een schepje koffie en een scheut water en daarbovenop zat een dekseltje dat ik voortdurend oplichtte om te kijken of het al een beetje opschoot, het doorlopen van de koffie.
In sommige cafés had de ober het lef om dat dekseltje op te tillen of, erger nog, haalde hij ongevraagd mijn filter van het kopje en zette het op zijn dienblad, terwijl er heus nog wel een paar druppels uit te persen waren. Op dat moment wierp ik hem een giftige blik toe zodat hij mijn koffie de volgende keer met rust zou laten, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was dat ik überhaupt ooit nog een stap in dergelijk etablissement zou zetten.
Er was echter één cafeetje waar de omstandigheden perfect waren, en waar de koffie die ze er serveerden zo lekker was dat tranen van geluk in mijn koffiekopje druppelden, en ik snel een servetje uit de koker moest toveren om te voorkomen dat mijn snottebellen niet boven het koffiekopje uiteen spatten.
‘s Ochtends ging ik gezwind naar mijn tafeltje op terras van mijn tijdelijke stamcafé. Ik smeerde me in met zonnebrandcrème, zette mijn zonnebril op, viste een boek uit mijn tas, en dan kwam Tui. Tui was een jongen van begin twintig. Hij gaf me altijd de kaart en ik bestelde altijd koffie.
Niet veel later kwam hij met een dienblad waar ik de koffie vanaf griste. Ik hing een kwartier boven de damp, nam een paar slokken,  totdat mijn vingers niet meer trilden en het bloed in mijn ogen was weggetrokken. Daarna zeeg ik zielsgelukkig achterover in de stoel en zag de wereld aan me voorbijtrekken.
Naast het café lag een rotonde, waarover brommers raasden, en toeristen op mountainbikes sukkelden. Op straat liepen verkopers van zonnebrillen en ballonnen, van goudvissen die in plastic zakken aan een houten paal heen en weer zwiepten. Aan de overkant glinsterde het meer. In het water dobberden waterfietsen in de vorm van zwanen. Onder de bomen aan de waterkant lagen Easy Riders, of picknickten geliefden in het gras.
Als het rustig was in het café liep een van de serveersters naar de overkant en kwam ze rennend terug met druipende softijsjes in haar hand, die de obers achter de bar op likten. Soms schoof Tui bij mij aan tafel om Engels te oefenen, waarbij hij aantekeningen maakte in zijn schrift. Als het druk was luisterde ik gesprekken af van toeristen. Af en toe las ik in een boek, maar meestal deed ik niets en snoof ik intens gelukkig aan mijn kopjes koffie.
‘We hebben ook iets anders,’ zei Tui soms. Dan hield hij de kaart voor me open en wees me op vruchtensapjes, frisdranken en cocktails. ‘Of thee.’
‘Nee hoor, dank je wel,’ zei ik.
Alsjeblieft zeg, théé, dat slappe aftreksel van verdorde blaadjes! Dat water met een kleurtje! Dat kinderdrankje voor mensen die zwart goud niet op waarde wisten te schatten!