4 augustus 2016

Aanbidder

By In verre 5 min
Ik had een aanbidder. De eerste keer dat hij mij aansprak, stond ik voor een fruitwinkel annex eettentje in Dalat, Vietnam.
‘Hello.’ Hij tikte op mijn schouder. ‘I love you.’
Ik draaide me om. Achter me stond een minderjarige. Hij droeg een rood baseballpetje en een Puma trainingsjack.
‘Oh,’ zei ik. En daarna, omdat ik ook niet wist wat ik anders moest zeggen: ‘Thanks.’
‘Waar heb je zin in?’ vroeg hij.
‘Kip,’ zei ik.
‘Oh,’ zei hij. En daarna, misschien omdat hij ook niet wist wat hij anders moest zeggen: ‘Gebakken?’
Ik bestelde gebakken kip met rijst en sperziebonen, en ging binnen aan een tafeltje zitten. Achter in het restaurant stond een televisie, er was een karaoke show aan de gang. Naast de televisie waren blikken melkpoeder en in plastic verpakte waterkokers op elkaar gestapeld.
De jongen zette het bord met eten voor me neer en trok zich terug in de duisternis, net buiten de lichtbundel van het peertje dat aan het plafond hing. Met zijn handen in zijn broekzakken leunde hij tegen de wand. Zijn petje had hij iets omhoog geschoven. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat hij al mijn bewegingen volgde; hoe ik met de eetstokjes mijn sperziebonen oppakte, hoe ik omging met rijstkorrels, en of ik wel genoot van de kip.
Ik at mijn bord leeg, stond op en liep naar de kassa. Hij liep achter me aan.
‘How old are you?’ vroeg hij.
‘Old,’ zei ik. ‘Very old.’
‘I love old,’ zei hij.
‘Oh,’ zei ik. ‘Thanks.’
Ik rekende af en liep weg.
‘I love you!’ riep hij me achterna.
De daaropvolgende dagen dook hij altijd op uit de fruitmanden als ik voorbijliep.
‘Yo!’ riep hij.
Ik zei gedag. Dan pakte hij snel zijn voetbal en hield die minutenlang hoog, of hij deed ineens opdrukoefeningen op de stoep wat ik, afhankelijk van mijn gemoedstoestand, aandoenlijk vond, of irritant.
Een keer greep hij mijn pols.
Angel,’ zei mijn aanbidder. ‘Ik neem je mee.’
‘Liever niet,’ zei ik.
‘Heb je een vriend?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik, want diezelfde middag nog zou ik op de markt een ring kopen die ik aan mijn vinger zou schuiven. Kijk, van mijn verloofde, mijn woest aantrekkelijke Fransoos met driedaags baardje.
‘No worry.’ Zijn handgreep was zo krachtig dat ik mijn botjes voelde kraken. ‘I’m your boyfriend too.’
‘Laat me los,’ zei ik.
‘Kip,’ zei hij. ‘Kom!’
‘Ik héb al gegeten,’ riep ik. ‘En ik zei néé.’
‘Yes!’ Hij sleurde me mee.
Welnu, ik had zijn hoofd met een bijl in tweeën kunnen splitsen, en nog eens, en nog eens, totdat zijn hersenpartjes naast de sinaasappels lagen. Ik kon een mes tussen zijn ribben steken zodat het bloed over de koraalrode vruchten spoot, of zijn ingewanden uit zijn lijf rukken en vermorzelen totdat ze op de grond, onder de fruitmanden, lagen als ware het bananenpulp. Ik kon zijn pik eraf bijten en die rechtop tussen de lychees zetten, maar omdat ik aan yoga deed en mijn gedachten louter vroom waren en mijn handelingen vredig, draaide ik slechts mijn pols met een ruk los en duwde hem van me af.
Hij stapte naar achteren, struikelde, en belandde op de stoeprand.
‘No?’ vroeg hij.
‘Nee!’ brulde ik.
De volgende dag aanbad hij een ander.