18 september 2016

De achtpotige

By In heinde 5 min

Rond middernacht stapte een spin langs de plint in mijn slaapkamer. Met haar harige poten betastte ze mijn slippers, daarna bewonderde ze een stilettohak. Ik wist niet of ik daaruit moest opmaken dat het een vrouwtje was, of een mannetje.
Ik stond rechtop in bed, want de spin was een uit de kluiten gewassen exemplaar. Ze paste niet door de slang van de stofzuiger en ook niet in een jampotje. Doodslaan met de krant durfde ik niet, want spinnen verdwijnen gewoonlijk onder die krantenpagina’s en duiken vervolgens plotsklaps naast je op. Voor je het weet ben je dood, legt ze haar eitjes in je maag en kruipt ze via je slokdarm uit je groen uitgeslagen mond.
Tegen mijn verwachtingen in, zette de spin het op een loopje, drukte zich tegen de vloer en kroop onder de deur door, naar de woonkamer. Opgelucht dat er eens een probleem was dat zichzelf oploste, kroop ik weer in bed.
Maar toen begon het gepieker. Die spin was mij de baas. En niet alleen de spin, nu ik er over nadacht, nee, iederéén was mij áltijd de baas. Mijn hele leven liet ik al over me heen lopen. Wie weet had die kruisdrager in de woonkamer inmiddels mijn schemerlamp aangeknipt en zich op mijn bank genesteld, of vrat ze met haar vieze harige poten mijn keukenkastjes leeg. Wie had het hier nu eigenlijk voor het zeggen! Het werd tijd dat ik het heft in hand nam, mijn eigen leven regisseerde. Driftig sloeg ik de dekens opzij. Dood aan de achtpotige!
Ik stapte uit bed en opende met een zwaai de deur. De spin liep op haar dooie gemakje over mijn muur. Uit de badkamer griste ik deodorant en dode zeezout. Met mijn rechterhand spoot ik het busje leeg en met de andere hand gooide ik de zeezoutkorrels tegen haar lijf. Toen de chemische wolk was neergedaald, had ik barstende hoofdpijn. De spin hing slap tegen de muur.
Ik ontkurkte een fles wijn. Onderuitgezakt op de keukenstoel en nippend aan een glas wijn keek ik toe hoe ze ineenkromp. Over twee minuten zouden haar poten de muur loslaten en opgekruld aan mijn voeten liggen waarna ik haar met stoffer en blik kon opvegen.
Innig tevreden dronk ik mijn glas leeg. Dit was het begin van mijn nieuwe leven. Een leven waarin ik niet langer met mij zou laten sollen. De dood van de spin was pas het begin. Morgen zou ik ook eens even flink de waarheid zeggen tegen de achterbuurman, die ene kennis, de verhuurder, en dat meisje van de klantenservice van mijn zorgverzekering dat mij nu al een maand verzekerde dat de volgende dag het geld teruggestort zou worden.
De spin bewoog.
Ik stormde weer naar de badkamer en griste een flesje parfum van de plank. Vlug bespoot ik haar opnieuw. Ik veronderstelde dat ze beneveld door de alcohol het loodje zou leggen, maar nee, ze kroop heupwiegend achter de plint, ongetwijfeld op zoek naar haar wederhelft, die ze na de daad met huid en haar zou verslinden, want zo zijn ze, die vrouwtjesspinnen. Ik wilde de plint dichtkitten, maar er verscheen alweer een poot. En nog een.
Het liefst had ik de fles wijn aan mijn mond gezet, maar ik moest helder blijven. Mijn toekomst stond op het spel. Ik marcheerde naar de keuken, trok de kastjes open en zette alle middelen die ik tot mijn beschikking had met een klap op het aanrecht.
De spin maakte zich klein, maar ik was onverbiddelijk. Ik bespoot haar met schuurmiddel, allesreiniger, afwasmiddel, zilverpoets, ovenreiniger, staalfix, een blik boenwas, het pak hagelslag, potten honing, pindakaas en chocoladepasta en tot slot, zij het met enige spijt, de fles wijn.
Hijgend zeeg ik ineen op de stoel. Schuurmiddel en honing dropen van de deur. Aan de muur plakte pindakaas en chocoladepasta en in de plas wijn lagen scherven en hagelslag.
De spin stapte ongedeerd over de drempel, terug mijn slaapkamer in.
Ik was verslagen, vernederd door een achtpotige. Het werd niets meer met mij, ik was een hopeloos geval, mijn leven een aaneenschakeling van mislukkingen. Diep teleurgesteld in mijzelf sjokte ik naar de bank in de woonkamer. Hoe het verder moest zou ik de volgende dag wel zien.