21 september 2016

School

By In verre 6 min

Het was laat in de avond en ik liep in Battambang door een duister straatje. Een zwerfhond snuffelde in de goot op zoek naar eten, in de wind ritselde een vuilniszak.
Ineens hoorde ik achter me een brommer naderen. Ik deinsde van de stoeprand, naar de muur, en keek rap om me heen of er op de grond niet toevallig een ijzeren stang lag waarmee ik in geval van nood op het hoofd van mijn aanvaller kon inslaan.
De rijder remde naast mij, en deed de klep van zijn helm omhoog.
Eén goede slag, en in de krant zou morgen een kort berichtje staan. Gisteren is een onschuldige op een brommer aangevallen. Het slachtoffer is in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd, voor zijn leven wordt gevreesd. Men vermoedt dat een agressieve toerist de dader is. De verdachte is voortvluchtig, er is een internationaal opsporingsbevel uitgezet.
‘Hello,’ zei hij.
Ik zag geen stang.
‘Wat moet je?’ vroeg ik.
‘What is the difference between ‘I shall’ and ‘I will’?’ vroeg hij.
‘Eh,’ zei ik. ‘Eh.’
Ik dacht aan mijn docente Engels in de tweede klas, die brullend uit het raam hing zodra een brommer bij het fietsenhok haar les verstoorde. Ik dacht aan Bilbo Baggins, de gele kaft van het literatuurboek, in the room the women come and go, talking about Michelangelo, de verkleurde poster van de London Bridge aan de muur van het lokaal, maar wat het verschil was tussen ‘I shall’ en ‘I will’ kon ik niet meer uitleggen. Misschien had ik het nooit gekund.
‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Hoezo?’
‘Een leerling van mij vroeg het,’ zei hij. ‘En ik wist het ook niet, dus nu vraag ik het toeristen.’
‘Bent u docent?’ vroeg ik.
Hij was directeur van een school tien kilometer ten zuiden van het centrum, en hij zocht al wekenlang naar een antwoord op zijn vraag in de straten van Battambang.
‘Op internet moet het te vinden zijn,’ zei ik.
‘Maybe,’ zei hij.
Hij opende het leren riempje van zijn schooltas en haalde er een folder uit die hij mij overhandigde. In het vale licht van de maan las ik het vluchtig door.
‘We hebben nu twee vrijwilligers die elke dag Engels spreken met de leerlingen,’ zei hij. ‘Floor uit Nederland en Markus uit Duitsland.’
‘Wat leuk,’ zei ik.
‘Maar we kunnen niet zonder financiering van lesmateriaal en computers,’ zei hij. ‘Heb jij een bijdrage?’
Uit zijn tas haalde hij nu een dik boek tevoorschijn waarin iedereen die een bijdrage had gegeven zijn of haar naam had geschreven, het e-mailadres, en daarachter, het bedrag in dollars.
‘Ja hoor,’ zei ik, want op meer en beter onderwijs kan je niet tegen zijn, zeker niet hier, en ook al was je erop tegen, dan nog was het onmogelijk te weigeren als je zag dat degene voor je honderd dollar had gedoneerd.
In mijn portemonnee rommelde ik tussen de dollars en riels en ik gaf hem een handje met verfrommelde bankbiljetten.
‘Thank you,’ zei hij.
Hij gaf mij het boek en ik schreef mijn naam erin, en het bedrag. Hij telde de biljetten, schikte ze op hoeveelheid en stopte ze daarna los in het voorzakje van zijn tas.
‘Heb je ook euro’s?’ vroeg hij. ‘Om aan de kinderen te laten zien?’
In de hoek van mijn portemonnee vond ik nog een muntje van twintig cent.
‘Nee, die heb ik al,’ zei hij. ‘Ik bedoel biljetten.’
‘Eurobiljetten heb ik niet,’ zei ik.
‘Andere biljetten? Thaise bhat, Vietnamese dong, Amerikaanse dollar?’
Ik schudde mijn hoofd. Thaise bhat had ik wel, maar die lagen in mijn hotel, biljetten uit Laos had ik gewisseld en naar Vietnam ging ik niet, of misschien wel, maar ik had vooralsnog geen Vietnamese dong.
‘Goed dan,’ zei hij.
Na die honderd dollar was mijn bedrag een teleurstelling, dat begreep ik best.
‘Succes!’ zei ik daarom extra enthousiast.
Hij knikte, duwde de klep van zijn helm weer omlaag en reed met een knallende uitlaat de straat uit, de hoek om.