13 november 2016

Uniek

By In verre 7 min

‘Heb je al een ticket gekocht voor de boot naar Chang Rai?’ vroeg de receptionist van mijn hostel in Thaton.
‘Nog niet,’ zei ik. ‘Morgen. Dan vertrek ik.’
‘Morgen?’ herhaalde de receptionist. Hij keek bedachtzaam. ‘Yeah, right.’

De volgende dag liep ik naar het boothuis. Op het raam van het verkooppunt stonden de bestemmingen geschreven, richting het oosten van Thailand of de andere kant op, richting Myanmar. Achter het raampje zat de verkoper. De klok die naast hem aan de muur hing stond stil.
‘Een ticket naar Chiang Rai voor vandaag, graag,’ zei ik.
‘You are one?’ vroeg de verkoper.
‘Yes,’ zei ik.
‘Er zijn twee passagiers,’ zei hij. ‘Met jou erbij, drie. De boot vertrekt als er minstens vier mensen zijn. Anders is het niet rendabel.’
‘Goed,’ zei ik.
‘Kom om elf uur terug,’ zei hij. ‘Misschien is er dan nog een passagier.’

Om elf uur kwam ik terug. De verkoper zat achterover geleund in zijn stoel, zijn voeten op het krukje ernaast. In de deuropening rookte een collega. Ik vroeg of er al meer mensen met de boot naar Chiang Rai wilden.
‘Jullie zijn met z’n tweeën,’ zei hij.
‘Net waren we nog met zijn drieën,’ zei ik. Waar was die derde passagier nu weer gebleven?
Hij schudde zijn hoofd.
‘Twee,’ zei hij.
‘Wanneer is de laatste boot vertrokken?’ vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Gisteren?’ vroeg ik.
‘Gisteren niet,’ zei hij.
‘Eergisteren?’
‘Eergisteren ook niet.’
De kaartjesverkoper durfde natuurlijk niet te zeggen dat de boot maanden geleden voor het laatst was uitgevaren, tijdens het hoogseizoen. Dirkje de Derde passagier had wellicht wekenlang op de kade rondgelopen, maar dag in dag uit kreeg hij van de ticketverkoper te horen dat hij de enige passagier was. De dag dat zijn visum zou verlopen naderde. Uit wanhoop bouwde Dirkje een vlot met de bedoeling stroomafwaarts richting Chiang Rai te varen, en daarna de grens met Laos over, naar Luang Prabang, maar hij werd verrast door een stroomversnelling en het lukte hem niet de uitstekende rotsen in het midden van de rivier te ontwijken waardoor hij met zijn hoofd tegen de stenen kletterde en eindigde als lijk tussen de mangrovebossen aan de oever waar hij wekenlang in het water dobberde, totdat een stevige regenbui in de bergen het water tijdelijk deed stijgen en hem losrukte uit de takken, en aldus spoelde het door vissen aangevreten lijk alsnog aan Luang Prabang, drie maanden na het verlopen van zijn visum.
Of hij was met de bus vertrokken.
‘Kom terug om half twaalf,’ zei de verkoper.

Om half twaalf kwam ik terug. Op de pier drentelde een jongeman. Hij staarde voor zich uit en trok diep aan zijn sigaret.
‘It’s you and me,’ zei hij.
Hij keek er niet bij alsof hij het een romantisch vooruitzicht vond om samen met mij dagenlang te wachten op het vertrek van de boot, terwijl het toch niet de eerste keer zou zijn dat er een romance opbloeit wanneer twee mensen tot elkaar veroordeeld zijn in spannende en exotische oorden.
‘Misschien morgen,’ zei ik.
‘Misschien niet,’ zei hij. Hij tikte de as van zijn sigaret.
Mismoedig keek hij naar het noordwesten. Wellicht hoopte hij dat de passagiers met tientallen tegelijk uit het gesteente tevoorschijn kwamen en over het water naar het bootje liepen als hij maar lang genoeg naar de bergen staarde.
‘Je moet maar zo denken,’ zei ik. ‘Er zijn blijkbaar heel weinig mensen die kiezen voor deze tocht, dus je maakt een unieke reis!’
Hij inhaleerde diep en tikte de peuk weg in de rivier.
‘Uniek?’ herhaalde hij. ‘Yeah, right.’

Ik drentelde door het dorp. Aan de andere kant van de brug stapten bij de halte twee mensen uit een bus. De langste voorop met een opengeslagen reisgids. Ik draafde naar hen toe en vroeg waar ze naar toe gingen.
‘Chiang Rai,’ zei de langste. ‘Weet je vanwaar de boot vertrekt?’
Ik dirigeerde ze naar het boothuis.
‘We are four!’ riep ik vanuit de verte naar de verkoper.
We kochten een ticket en stapten in het long tail bootje. Onze rugzakken werden voorin gelegd. We kregen een reddingsvest waarvan de touwtjes kapot waren.
De gids startte de motor, langzaam tuften we weg. Aan weerszijden van de rivier was het landschap heuvelachtig en bebost. Jongens sprongen in hun blootje vanaf de takken van een dode boom in het water en vlak langs de oevers haalden vissers vanuit hun boten netten binnen. Hoe verder we de rivier af vaarden hoe stiller het werd. We kwamen geen bootjes met toeristen tegen die in tegengestelde richting voeren. Ja, dit was wel degelijk een unieke reis, ik was vast de enige Nederlander die ooit over de Mae Kok rivier had gereisd. Tevreden sabbelde ik aan het touwtje van het reddingsvest.
Na anderhalf uur meerden we aan bij de steiger van een dorpje. Een voor een stapten we op de kade. Te midden van stalletjes met olifanten van teakhout en geweven rokken stond een hok gemaakt van bamboe waarover een kleed was gelegd. Als een tovenaar trok de verkoper het laken weg. In het hok lag een slang met een doorsnede van minstens tien centimeter, hij leek te slapen. Ik hield mijn wijsvinger voor zijn kop ter controle. De verkoper tikte op mijn schouder.
‘Photo?’ vroeg hij.
‘No, thanks,’ zei ik.
Ik liep verder. Het dorp leek uitgestorven. Er stonden hutjes van leem met rieten daken en een paar huizen van baksteen. Op een erf knorde een varken dat met een ketting was vastgebonden aan een boom en verderop scharrelden kippen door het mulle zand. Achter gesloten luiken klonk het geluid van een televisie of radio. Ik slenterde terug.
‘Photo?’ vroeg de man nog eens.
Ik schudde mijn hoofd. Hij wees naar een slinger van op canvas afgedrukte foto’s die boven de kraampjes hing. Pas nu keek ik omhoog. Op de foto’s stonden internationaal befaamde artiesten die twijfelende toeristen over moesten halen met de slang op de foto te gaan. In het midden hing ook een foto van een Bekende Nederlander. Het was Nick, van Simon, met om zijn nek de slang.
Uniek, yeah right.