3 februari 2017

Voorwaarts!

By In verre 3 min

‘Ik ga aan de wandel,’ zei ik.
‘Are you mad!’ riep een medereiziger.
‘Beware of the dogs?!’ zei een ander. ‘You’d better go far, far away!’
Ik zei hen gedag, legde een dubbele knoop in mijn veters en liep Kanchanaburi uit, het Thaise platteland in.
Het kon toeval zijn dat bij het eerste rijstveld een met hondsdolheid besmette kuitenbijter het op mijn botjes had voorzien –  ferm sloeg ik hem met mijn fototoestel op zijn kop waarna hij afdroop – maar daarna bestormde mij een onooglijke hond die ik ternauwernood kon ontwijken. De aandoenlijke poedel verderop bleek een valse teef en haar maatje, dat levenloos op de weg leek te liggen, spitste zijn oren toen hij mijn voetstappen hoorde en herrees met een sprongetje uit de dood.
‘Koest!’ riep ik, zwaaiend met mijn camera. ‘Blijf!’
De vierpotigen hitsten elkaar dusdanig op dat ík degene was die bleef, achter een geesthuisje met een brandend wierookstaafje. Ik beet op een nagel, en toen op de volgende. Na tien afgekloven nagels kwam er een tuk-tuk voorbij, waar ik op een drafje achteraan liep, in een wolk van aflaatgassen, waardoor de honden mijn angstzweet niet roken. Huppelend passeerde ik de roedel. Zij bleven verbijsterd achter.
Ik wandelde verder, langs kabbelende beekjes, glinsterende vijvers en een prachtige orchidee. Met mijn fototoestel hurkte ik neer, zoomde in, klikte, en op dat moment sprong er ongelukkigerwijs plotsklaps een hitsige hond voor mijn lens waardoor ik niet de orchidee, maar twaalf snijtanden, vier hoektanden en zesentwintig kiezen vastlegde. Hij hapte naar mijn bovenarm. Ik deinsde terug.
Maar ik was op reis. Niet achterwaarts, maar voorwaarts moest ik! Gewiekst klom ik in een palm. Ik sprong over daken, verdween slinks in het struikgewas en kroop gezwind door de rijstvelden. Ondanks mijn vernuftigheid vond hij me, die rabiësdrager, en al rap jaagde hij me een sloot in.
Ik waadde door het water. In mijn haren hing alg en op mijn schouders lag kroos. Een man op een brommer stopte en vroeg of ik hulp nodig had.
‘Welnee,’ zei ik. Ik bevrijdde een spartelend visje uit mijn decolleté. ‘Het gaat prima.’
De man keek mij meewarig aan.
‘Heus.’ Ik klopte kroos van mijn schouders. ‘Ik ben gezellig aan de wandel.’
Een half uur later klom ik aan wal. Slijk droop uit mijn broekspijpen. Met een bananenblad veegde ik modder van mijn kleren. Daarna stak ik een lelie achter mijn oor. Neuriënd vervolgde ik mijn weg.
Helaas was mijn geluk kortstondig en mijn lot onontkoombaar. Op de kruising sprong er wederom een pittig ding in mijn nek. Ik rende jammerend het rijstveld in, zwaaiend met mijn fototoestel rende ik de einder tegemoet, met in mijn kielzog de vierpotige.
Honderden meters verderop draaide ik me om. Het beest was een puntje aan de horizon. Hij jankte als een wolf.
‘Beware of the tourists!’ blafte ik. Ik liet mijn tanden zien en balde mijn vuisten in de lucht. ‘You’d better go far, far away!’