25 februari 2017

Zonnegroet

By In heinde 6 min

Daar zat ik dan, wachtend, in een zaal, op een yogamatje.
Ik mediteerde niet. Ik peuterde een velletje van mijn grote teen. Ik trok een draadje uit mijn T-shirt. Ik dacht aan deadlines, onopgeloste vertaalproblemen en de twee blokjes pure chocola met sinaasappel in de keukenkast. Ik deed een verwoede poging ongezien mijn slip tussen mijn billen vandaan te trekken. Ik draaide, zuchtte, piekerde.
De mensen om mijn heen mediteerden wel. Ze zaten, gelijk de boeddha voor in de zaal, rustig en vredig in kleermakerszit, waaruit ik, enigszins jaloers, opmaakte dat ze zich niet bezighielden met gedachten en gevoelens over ginder en gisteren, maar met het hier en nu.
De docente kwam binnen. Waarschijnlijk omdat ik nieuw was, hurkte ze bij mij neer en stelde zich voor. Haar handdruk was stevig en warm.
Did you do yoga before?’ vroeg ze.
‘Oh ja,’ zei ik.
‘Hier?’ vroeg ze. ‘Lang geleden?’
‘Niet hier,’ zei ik. ‘Wel lang geleden.’
Tien jaar geleden stond ik in Nepal onaangekondigd bij een yogaleraar op de stoep. Omdat hij niet thuis was, stuurde zijn vrouw me met een kom modder en een paar instructies naar het dakterras.
Ik kleedde me uit tot op mijn ondergoed, smeerde mezelf in met een laagje modder en ging op mijn rug op het terras liggen. De zon scheen, het was windstil. Voor mij strekten rijstvelden en bossen en witte bergtoppen zich uit. Af en toe klonk beneden, vanuit de keuken, het gekletter van pannen en stromend water. Als er kortstondig een briesje de kop op stak, nam het geuren mee uit de omgeving, wierook, vanille, kruiden en specerijen waarvan ik naam niet kende.
Nadat de modder opgedroogd was, smeerde ik er een tweede laag overheen. En daarna een derde laag. Tegen het einde van de middag, toen de zon achter de bergen was verdwenen, en de modder zo hard was geworden dat ik me afvroeg of ik mezelf niet in cement had gegoten, kwam de vrouw om de hoek kijken. Ze vroeg of het wel goed ging. Ik lag namelijk al vijf uur in het zonnetje.
‘Ja hoor,’  murmelde ik. Ik richtte me half op, de modder brokkelde van mijn lichaam. ‘Is dit een speciale vorm van yoga?’
‘Dit is standaard,’ zei ze.
De daaropvolgende dagen volgde ik een strak regime. Om vijf uur ging de wekker, om half zes begon de ochtendmeditatie, gevolgd door een tien zonnegroeten en een wandeling. Na het ontbijt wiedden we gezamenlijk onkruid en aan het einde van de ochtend gingen we naar de muziekzaal om te zingen of, in mijn geval, een poging daartoe. Tussen die activiteiten door was er ook nog een kannetje met zout water. Het was de bedoeling dat ik het water in mijn rechterneusgat goot waarna het uit mijn linkerneusgat zou stromen, maar omdat die handeling ergens halverwege misging, spuugde ik de ene helft uit en slikte ik de andere helft door, waardoor ik een half uur later misselijk boven de wc hing, maar dat gaf niets, want elke middag mocht ik met een kom modder naar het dakterras voor de zonnegroet.
Yoga was een levenswijze. Yoga vond ik hartstikke leuk.
‘Weet je nog welke yogavorm?’ vroeg ze.
‘De standaard yoga,’ zei ik.
We begonnen met – all together! – ohm. Daarna voerde ik gedwee de oefeningen uit; ik deed een neerwaartse hond, kreupele hond, een adelaar met gebroken vleugels, een wiel met verbogen spaken, een spartelende vis op het droge, hond, slang, adelaar, vlinder, hond, hond, hond, kortom, een aaneenschakeling van poses die ervoor zorgden dat ik elk moment uit mijn joggingbroek kon scheuren. Als het er werkelijk om spande hield ik mijn adem in.
Breath,’ zong de docente. Zalvend legde ze een hand op mijn schouder. ‘Ujjayi breeeeath.’
Dat was wat. Ik moest mijn keelgat vernauwen en dan doen alsof ik een wolkje de lucht in blies of brillenglazen met mijn adem besloeg. The ocean breath – zei de yogalerares, maar het klonk alsof ze bij iedereen een plastic zak over het hoofd had getrokken en we massaal op het punt stonden te stikken en dood neer te vallen op ons matje. Yoga vond ik hartstikke stom.
Eindelijk, na vijf kwartier, mochten we ons neervlijen op de grond. We hoefden niet meer oceanisch te ademen. De docente dimde het licht. Ik drapeerde een wollen dekentje over me heen en op mijn ogen legde ik een masker gevuld met lavendel. Mijn schouders, mijn rug, mijn benen werden verwarmd door de vloerverwarming. Buiten kletterde regen tegen de ruiten.
Toen vond ik yoga toch wel weer hartstikke leuk.