7 maart 2017

Het gouden halskettinkje

By In heinde 6 min

De buurvrouw zei dat er honderd jaar geleden een goudsmid in mijn huis had gewoond. Daar begon het mee.
Ik griste de stofzuiger uit de kast en pluisde de zak zorgvuldig uit. Toen er tussen de stofwolken, haren en een enkele paperclip geen gouden halskettinkje tevoorschijn kwam, priegelde ik met een pincet in de spleten tussen de oude houten planken van mijn slaapkamer, in kieren, barsten, kloven, scheuren.
Binnen leverde mijn zoektocht niets op. Ik zou het goud buiten moeten zoeken – in mijn anderhalve vierkante meter tuin – de juist opkomende krokussen ten spijt.
Het was koud en het miezerde, maar ik was een mens met een missie. Ik pakte een schop en begon met de uitgraving. Bij de eerste tien centimeter dacht ik, in mijn bescheidenheid, nog aan een eenvoudige oorbel, maar al snel zwaaiden er vierentwintigkaraats gouden kettingen voor mijn geestesoog, pronkte er in mijn slaapkamer een sieradenkist vol ringen met inlegde robijnen, rinkelende armbanden, glinsterende oorbellen.
Even doorscheppen nog.
Soms stootte mijn schop tegen iets hards –  het sieradenkistje! – of glinsterde er iets in de modder – het gouden halskettinkje! – , maar tot mijn diepe teleurstelling was al wat ik opgroef een Heineken bierflesje, verroeste theelepeltjes, plastic.
De buurvrouw kwam naar buiten en hing over het hek dat onze achtertuinen van elkaar scheidde.
‘Wat dóe je?’ vroeg ze.
‘Ik doe archeologisch onderzoek,’ zei ik.
‘Met dit weer!’ riep ze uit.
‘Oh ja!’ Kordaat spietste ik de schop in de grond. Inmiddels stond ik tot mijn middel in de kuil. ‘Ik kan elk moment stuiten op iets waardevols.’
Ze keek peinzend naar de berg aarde die naast mij verrees.
‘Een zeventiende-eeuws servies bijvoorbeeld,’ zei ik. ‘Of een verzameling Romeinse goudstukken.’
Want woonden wij niet in het centrum van de Hofstad, daar waar in lang vervlogen tijden vrouwen van adel thee dronken uit kopjes van porselein? Was er in Den Haag niet een Romeinse nederzetting geweest? En hoe werden die soldaten betaald, met wélke munten? Nou? Juist.
De buurvrouw haalde haar schouders op en liep weer naar binnen. In de toppen van de bomen huilde de wind. Wolken stoven voorbij. De miezer ging over in regen.
Dapper groef ik verder. De flesjesfase was voorbij. Nu waren het scherven – vaalwit, lichtblauw – die, als ik mijn ogen samenkneep, konden doorgaan voor Delfsblauw. Ik vond ook de hoek van een tegeltje, waarop nog net te lezen was & Co, met groen geglazuurde letters. & Co; dat was toch zeker begin jaren twintig van de vorige eeuw!
Even doorzetten nog, lang kon het niet meer duren voordat ik zou stuiten op een waardevol kunstwerk. Ik slingerde de schop over het hek, want op dit punt kon ik het risico niet meer lopen dat ik een robijntje aan gruzelementen sloeg of prehistorische botjes verhaspelde. Ik hurkte neer en veegde met een oude tandenborstel millimeter voor millimeter de modder
weg.
Het begon harder te regenen. Regen gutste in mijn nek, modder liep langs mijn broekspijpen in mijn laarzen, mijn sokken raakten doorweekt. Deze toestand bemoeilijkte mijn archeologische opgraving, maar nu kwam het aan op doorzettingsvermogen en nauwkeurigheid, karaktereigenschappen die mij in barre omstandigheden wel vaker hadden gered.
En jawel! Een half uur later streek ik met de tandenborstel over een rand – vaalwit, smal, met een ribbeltje.
Nu dan! Eindelijk! De rand van een antieke vaas, een museumstuk dat bij Tussen Kunst & Kitsch op een draaiplateau aan de wereld getoond zou worden, terwijl de expert van zeventiende-eeuws keramiek enthousiast op zijn kruk zou wippen, zou knikken en zeggen dat het, vanwege de gave staat waarin het kunstwerk verkeerde, de ronde vorm, de ribbeltjes op de rand en de fijne penseelstreken die wezen op een ongekend vakmanschap, de vaalwitte glazuurlaag die nog geheel intact was, dat dit object… waar heeft u dit zeer zeldzame kunstwerk eigenlijk vandaan? Uw eigen achtertuin, is het werkelijk! Nu ja, het is zeer uitzonderlijk dat een dergelijke vaas, in een dergelijke staat, gevonden wordt. Hij zou dit object daarom toch zeker taxeren op zo’n twintigduizend euro. En met dat bedrag in gedachten viste ik het kunstwerk met duim en wijsvinger uit de modder.
Een regenworm.
De stortregen veroorzaakte plots een zeer plaatselijke aardverschuiving. Als een lawine stroomde de aarde het gat in, bedolf mijn laarzen, mijn bovenbenen, mijn middel. Nu moest ik toch zorgen dat ik rap dit graf uit kwam, voordat een volgende bewoner over honderd jaar, terwijl hij in zijn tuin verwoed op zoek was naar een gouden halskettinkje, zou stuiten op mijn botjes.