30 april 2017

Keffertjes en scherven

By In verre 3 min

Ik had er nooit meer bij stilgestaan, bij het moment waarop ik oordopjes was gaan gebruiken, maar nu ik op reis was door Andalusië en een kamer had gehuurd in een flatgebouw, wist ik het weer.
Het waren de keffertjes die me deden terugdenken aan de jaren dat ik in Barcelona in een flat woonde. In die flat woonden mensen, en twee keer zoveel honden, of dat wat voor die vierpotige mormels moest doorgaan, want waarschijnlijk vanwege het beperkte aantal vierkante meters dat de flatbewoners tot hun beschikking hadden, bezaten zij geen labradors of Duitse herders, maar afzichtelijke gedrochten van 15 centimeter hoog en 25 centimeter lang, schepsels waar je voortdurend over zou struikelen als ze je overdag niet voortdurend zouden waarschuwen met hun gekef.
Het was het type hond dat in handtassen werd vervoerd als het regent, in de winter in een blauwpaars gestreept hondenpakje van Barça werd gehesen, en in de zomer werd getooid met roze strikjes in het haar om de krullen uit de ogen te houden, want alles is te koop en niets is te gek.
Maar vooral ’s nachts, net wanneer ik op het punt stond in slaap te vallen, lieten zij van zich horen. Bij het minste of geringste geluid – een voorbij tuffende brommer, een vrouwenstem, een droge hoest in de nacht – zette één hond het op een blaffen, waarna het teefje uit de belendende flat volgde, enzovoorts, totdat de echo’s over de binnenplaats klonken, tegen de muren omhoog raasden en een hels kabaal veroorzaakte waardoor ik heldere visioenen kreeg van hoge balkons, vallende honden, harde stoeptegels.
Het warm die zomer –  vochtige lakens, slapeloze nachten – en dat verdomde geblaf werd me te veel. Driftig stampte ik uit bed en marcheerde naar mijn openstaande raam. Met een enorme klap schoof ik het dicht, zo hard dat het uit de sponning sprong en het gehele raam zes verdiepingen lager op de tegels aan diggelen viel.
Verstijfd van schrik stond ik voor een gat van 100 bij 80 centimeter, maar niet lang, want in de flatgebouwen rondom de binnenplaats werden lichten aangeknipt, gordijnen opzijgeschoven. Bleke gezichten verschenen achter glas.
Met een ruk schoof ik mijn gordijnen dicht. Over het binnenplein bulderde een man dat het middernacht was, verdomme, kon het nu eindelijk eens stil kon zijn. Poedels en chihuahua’s keften nog feller dan voorheen. En iemand die werkelijk begaan was met de medemens, of iemand met een zucht naar sensatie, moest het alarmnummer hebben gebeld, want even later scheen het blauwe licht van een politie door mijn gordijnstof.
Op de binnenplaats klonk het geklap van autodeuren, geschuifel over de stoeptegels. Er werd gesproken, maar ik kon de woorden niet opvangen. Ik vermoedde dat ze naar boven keken, naar mijn verdwenen raam, het zou beslist niet lang meer duren voordat de agenten aanbelden en ik geboeid werd afgevoerd vanwege het veroorzaken van overlast in het algemeen, en het vernielen van het huurobject in het bijzonder. Ik wachtte een minuut, twee minuten. Er gebeurde niets.
Door een kier zag ik de politie weer wegrijden, het zwaailicht was uit. Allengs werd het stiller, maar uit angst alsnog betrapt te worden door een slaapwandelende benedenbuurvrouw, durfde ik die nacht niet naar beneden te lopen om in het maanlicht de scherven op te ruimen, en toen ik de volgende dag terloops over de binnenplaats liep was het glas opgeveegd en herinnerde alleen een geknakt aluminium omlijsting nog aan het voorval.
Ik belde mijn verhuurder –  mijn raam is plotsklaps naar beneden gesprongen, ja, zomaar, heel vreemd, hoewel, het schuifmechaniek werkte al máánden niet, dus eigenlijk mag het een wonder heten dat er geen doden zijn te betreuren – maar pas in de nazomer werd het raam vervangen.
In die tussenliggende weken sliep ik zonder raam. ’s Nachts leek het of er een hele kennel keffertjes aan mijn bed stond te blaffen. Toen ben ik ’s nachts oordopjes gaan gebruiken.