24 juli 2017

Ai!

By In verre 4 min

‘Ai.’ Een vrouw hees zich de bus in. ‘Aiaiai.’
Ze baande zich een weg door het gangpad, waarbij ze zodanig met haar handtasje zwiepte dat ze daarmee iedereen een klap om de oren gaf. Hoewel ze een legging met tijgerprint droeg, leek haar manier van bewegen meer op die van een beer op weg naar een pot honing achter in de bus.
‘Ai,’ zei ze, toen ze schuin achter mij plaatsnam. De stoel kraakte. ‘Ai. Dios mío.’
Ik kende dit type medereiziger. Daarom viel ik plotsklaps van vermoeidheid in slaap. Met een bons liet ik mijn hoofd tegen de ruit vallen, en toen we wegreden deed ik ook mijn lippen lichtjes uiteen. Ik snurkte zelfs een beetje, om haar ervan te overtuigen dat er met mij geen gesprek te voeren viel, hoewel het uiteraard nooit geheel uit te sluiten was dat zij zich met kop en schouders tussen de twee hoofdsteunen zou wurmen om te vragen of ik een kauwgommetje wilde.
‘Ik kom net uit het ziekenhuis,’ zei ze.
‘Bien,’ zei de man die naast haar zat, aan de andere kant van het gangpad.
‘Bien, no!’ Ze zuchtte zo diep dat ze eerst de bus vacuüm zoog, en daarna, bij het uitademen, stootte ze de lucht zo hard uit dat er een orkaan door het gangpad trok. ‘Ik kom net uit het ziekenhuis. Er waren complicaties na de heupoperatie en nu is er sprake van zenuwbeschadiging.’
Ze vertelde verder. Door de details duurde het even voor ik doorhad dat niet zíj de operatie had ondergaan, maar haar zus, die zij vanmiddag had opgezocht.
Terwijl heuvels met olijfbomen voorbij trokken, probeerde ik met alle macht terug keren naar mijn dromen over copieuze maaltijden, maar bij gebrek aan oordopjes was het onmogelijk me af te sluiten voor ziektegeschiedenissen en kregen mijn gehaktballetjes in tomatensaus en gefrituurde inktvisringetjes al snel een metalig smaakje en een ziekenhuisgeurtje.
‘Ik zeg tegen die arts, ik heb het toch zeker zélf op internet gelezen,’ zei ze. ‘Tegenwoordig moet je overal zelf achteraan.’
De man zweeg.
‘Artsen,’ zei ze. ‘Niet te vertrouwen.’
Om dat wantrouwen te staven hield ze drie kwartier lang een betoog over het gevaar van met bloed doordrenkte gaasjes en etterende wonden, die ik niet meer in verband kon brengen met de zenuwbeschadiging. De man liet geen instemmend gebrom meer horen. Zelf had ik geen dromen meer, maar gebalde vuisten waarmee ik in gedachten op haar hoofd roffelde.
Na een uur stopte de bus. De verkeerde stapte uit.
‘Adiós,’ riep de vrouw tegen de man. ‘Ai.’
Iedereen zweeg. Ook ik, want door het slijmspoortje dat ik uit mijn linkermondhoek over mijn kin had laten lopen was het duidelijk dat ik sliep. Maar de vrouw was niet voor een gat te vangen. Ik hoorde haar een nummer op haar mobiel intoetsen.
‘Hola,’ zei ze. ‘Luister.’
Dezelfde details werden nu aaneengeregen met uitroepen waarbij ze de hemel, een heilige, of de Here zelf aanriep. Santo cielo, het was verschrikkelijke toestand, maar gelukkig was nu bijna thuis en als hij haar van het busstation kon halen, heel graag, want haar lichamelijke toestand liet het niet toe nog een taxi te nemen, de lieve Here in de hemel wist wat ze had doorstaan.
‘Eten en slapen,’ besloot ze, ‘dat is werkelijk het enige wat ik nog kan opbrengen.’
Welnu, het enige wat ík nog kon opbrengen, was het aanbrengen van ducttape. Zelfklevend band van zeven centimeter breed en vijftig meter lang, te beginnen bij haar linkerwang, stevig over haar mond, achter haar nek langs, handen op de rug meenemen, opnieuw voorlangs, mond, nek, handen, en daarna hup, de tweede rol. Tegen de tijd dat ik haar volledig had gekneveld, draaiden we het bergdorpje in, de eindbestemming.
Ik jubelde inwendig.
‘Aaaaai!’ zei de vrouw. Ze stapte voor mij uit de bus en in de auto die stond te wachten. Met een klap sloeg de deur achter haar dicht. De auto reed de straat uit.
Een oase van rust daalde neder. In het midden van de rotonde klaterde een fontein. Op een bankje onder een kastanje zaten vijf oude mannen op een rij. Een hond kwispelde met zijn staart, de vogels floten. De kerktoren stak helwit af tegen de beboste flanken van de bergen.
Ik plofte neer op een pleintje verderop, en bestelde een glas witte wijn en een portie gebakken vis. Het terras zat vol. Niemand had het over een ziekenhuis, iedereen had het over de wedstrijd Barcelona – Madrid. Mannen, vrouwen en kinderen hadden hun stoelen omgedraaid naar de muur van het café, waaraan een flatscreen was opgehangen en de voorbeschouwing werd vertoond. Ik kon geen genoeg krijgen van de discussies en anekdotes, alleen bij het benoemen van een knieblessure van een van de spelers kromp ik even ineen. Wat mij betreft duurde de wedstrijd tot middernacht en ging de nabeschouwing door tot het ochtendgloren. Ik strekte me loom uit en nam een slok van de wijn om de bloedsmaak in mijn mond weg te spoelen, beet het kopje van de garnaal, die godzijdank niet meer rook naar ontsmettingsmiddel, noch naar medicijnen.
Achter me schraapten stoelpoten over de tegels. Iemand plofte in een stoel.
‘Ai,’ hoorde ik.