27 september 2017

Nevel

By In heinde 3 min

‘Wat heeft u gedaan?’ vroeg de opticien.
‘Niks,’ zei ik.
De opticien druppelde oranjekleurige vloeistof in mijn oog en bekeek mijn iris met een fel zaklampje.
‘Hoornvliesbeschadiging,’ zei ze. ‘Lenzen uit, bril op.’
‘Ik heb geen bril,’ zei ik.
‘Zo ziet u maar weer,’ zei de opticien streng. ‘U moet áltijd een bril achter de hand hebben. Met uw sterkte bent u zonder lenzen of bril zo goed als gehandicapt.’
Ik zocht een montuur en het type glazen uit, en bestelde de bril. Over twee weken kon ik hem ophalen. Zonder lenzen liep ik naar de deur.
‘Succes!’ riep ze me na.
Bij de uitgang struikelde ik over iets hards en daarna iets zachts, wat, toen ik op tien centimeter van het voorwerp mijn ogen samen kneep, een buggy met een peuter bleek te zijn.
‘Sorry,’ zei ik. Ik wees naar de opticien achter me.
‘Misschien moet je nog even terug,’ zei de vlek boven mij, van wie ik vermoedde dat het de vader was. ‘Trut.’
Op weg naar huis werd ik steeds opnieuw onaangenaam verrast; een stilstaande lange man gehuld in een grijs regenpak bleek een pilaar, een rollende bal was een loslopende poedel. Meer dan eens waren de drempels hoger dan ik van te voren had ingeschat, of lager. Boomstronken hadden stoeptegels omhoog gedrukt, aangelijnde honden liepen weg van hun baasjes en spanden zo een horde over het voetpad, paaltjes die auto’s uit de binnenstad moesten weren, weerhielden onbedoeld ook bijziende mensen ervan het centrum te verlaten. Tot twee keer toe doemden uit de mist ineens naderende trams op, die ik pas opmerkte toen de bestuurders mij luid rinkelend rakelings passeerden. Er waren kuilen, hobbels, wazige vlakken en tot slot het sleutelgat van mijn voordeur.
Ook de daaropvolgende dagen waren in nevelen gehuld. ‘s Ochtends vond ik op de tast de badkamer. Als ik mijn voet op de eerste trede van de trap wilde zetten leek het een moment alsof ik me in de afgrond stortte. Ik verbrandde mijn wijsvinger toen ik een lucifer afstak en te dicht bij het pitje van het gasfornuis hield. Ik stootte mijn knie tegen openstaande deuren, de rand van een tafeltje, ik struikelde over het overgangsprofiel van de woonkamer naar de keuken.
Ik kwam zo weinig mogelijk buiten. Als ik dan toch boodschappen moest doen tweehonderd meter verderop, verschenen er in mijn wereld plots schimmige figuren die vage gebaren maakten. Ik oriënteerde me op het langzaam en regelmatig getik van een verkeerslicht voor voetgangers (even wachten nog), fietsbellen (aan de kant!), een naderende parfumgeur (een mens!). Eenmaal in de supermarkt liet ik me leiden door de geur van uien, vers gebakken brood, de sushi afdeling, maar dat alles kon niet voorkomen dat ik thuiskwam met broccoli in plaats van bloemkool, een pak pasta in plaats van rijst.
Na tien dagen belde de opticien.
‘De bril ligt voor u klaar,’ zei ze.
Ik belde de taxi.