12 december 2017

Het huis van de priester

By In verre 4 min

Ik lig wakker in het huis van de priester in Alcalá de Guadaíra, een dorpje ten oosten van Sevilla. Mijn slaapkamer grenst aan de calle San Sebastián en de Canalejas y Méndez, tegenover de San Sebastiánkerk. ’s Avonds laat op weg naar huis botsen mensen tegen elkaar aan op de hoek. Ze vragen elkaar hoe het ermee staat, met het leven, de liefde of de ziekte van de neef van een vriendin. Hun stemmen kruipen tegen de muur op, glippen door de kieren van het raam mijn slaapkamer in. Ik vermoed dat ze niet weten dat er aan de andere kant van de muur, achter de gesloten luiken, iemand in bed ligt die naar hun geheimen luistert, alsof ze biechten zonder dat ze het zelf weten.
Na middernacht hoor ik geen gesprekken meer. Wel geklap van autodeuren, tikkende hakken over klinkers, het geklepper van een putdeksel. Om half twee dendert de vuilniswagen langs, met ronkende motoren worden de containers geleegd.
Om drie uur stap ik uit bed. Ik open de deur naar de bibliotheek, die naast mijn slaapkamer ligt, en ga in de schommelstoel zitten, voor de boekenkast. Dit lijkt me het juiste tijdstip om het evangelie van Mattheüs te lezen of te bladeren door het boek met vergeten steden, maar als ik de stekker van de schemerlamp in het contact wil steken, houd ik draadjes in mijn hand. Ik sta op en spook door de ruimtes.
Het huis van de priester is gebouwd rond 1900. Als je de zware voordeur opent, met de goudkleurige klopper in de vorm van een hand, kom je in een donkere hal. Je voelt meteen een kokosmat onder je voeten, en de koelte tegen je wangen, maar het duurt even voordat je aan de duisternis gewend bent en de mozaïek tegels op de vloer ziet. Achter de entree is de salon. Er staan stoelen en een dressoir tegen de wanden, en in het midden een ronde tafel met een gehaakt kleedje.
De priester is overleden, en in de vertrekken slapen nu toeristen, maar er liggen nog bidprentjes in de boekenkast, en aan de muur hangen schilderijen met devote Maria’s in goudkleurige lijsten. Een vergeelde rouwadvertentie van de priester ligt op tafel, naast een opgebrande kaars. Aan een spijker hangt een tegeltje met de wens dat God elke hoek van het huis zegent.
Aan de salon grenzen veel deuren; naar de slaapkamers, de bibliotheek, de keuken. Ik open de openslaande deuren naar de patio. In het midden staat een monumentale bak met een palm, in terracotta potten groeien varens, aloë vera’s en vetplanten. In de hoek van de patio staat een oude put. Tegen de tegels groeit mos, in de diepte rimpelt water. Wanneer de zon op haar hoogtepunt staat, wordt er met zware touwen een doek over de binnenplaats heen getrokken om de hitte buiten te houden. Nu schijnt het maanlicht over de roerloze palmbladeren.
Ik loop via de patio de open trap op, naar het dakterras en de zolder, waar vroeger het graan uit de omgeving werd opgeslagen, er gespeculeerd werd met de prijs van het koren. Op het terras wappert een handdoek aan de waslijn. De maan is vol, een koele bries strijkt langs mijn enkels. Dit is zo’n moment waarop zou ik willen roken om langzaam wolkjes naar de hemel te blazen. Uiteindelijk loop ik, slaapdronken, terug naar mijn slaapkamer en kruip onder de dekens.
Ik word wakker van schuifelende voeten, en gezang van een menigte voor mijn raam. Het is zondagochtend, half acht. Even overweeg ik de luiken te openen, maar ik blijf onder de lakens liggen en luister naar de tekst. Het duurt twee coupletten voordat ik begrijp wat ze zingen; Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood.
Dan stopt het geschuifel en gezang, en klinkt een lage stem – ik neem aan die van de priester – en drie stokslagen op de tegels. Langzaam dringt de geur van wierook mijn slaapkamer binnen.
Als de priester is uitgesproken, klinken castagnetten en sevillanas waarvan ik de tekst niet versta. De priester spreekt, de menigte zet zich weer in beweging. Blijkbaar gaan ze de kerk binnen, want ik hoor zware deuren over beton schuiven, en daarna alleen nog gedempt gezang en het koeren van duiven.