10 februari 2018

Koorts?

By In heinde 3 min

‘s Nachts vriest het. Op marktplaats zijn de schaatsen niet aan te slepen. Ik hoor iemand hardop dromen over schaatsen op de Hofvijver. Dit zou wel eens hét moment kunnen zijn om alsnog in een paar lessen bij De Uithof te leren hoe ik soepeltjes lange tochten kan maken over krakend ijs, langs molens en wuivend riet, met in mijn zak een portemonnee vol muntjes waarmee ik liters chocolademelk en erwtensoep kan kopen.
Vróéger, toen er elke winter een heel dikke laag ijs lag, en het elke Kerst sneeuwde bovendien, diepte het hele dorp, zodra de temperaturen onder het vriespunt doken, schaatsen op uit de schuur en bracht ze naar de plaatselijke schoenmaker om ze te laten slijpen. De ramen waren er beslagen. Binnen hing een geur van leer en sigarenrook, en klonk onophoudelijk het geluid van de slijper. In de vakjes van de houten kast lagen schaatsen die met de veters aan elkaar geknoopt waren, met daarin een blauw papiertje waarop naam en nummer van de klant stond geschreven. De schoenmaker had vingers die zwart waren van het schoensmeer, en een rode neus, niet van de kou, zo fluisterde de plaatselijke tamtam, maar van het overmatige drankgebruik na de vroegtijdige dood van zijn vrouw.
Zodra de schaatsen geslepen waren, fietste ik met mijn vader en broer in de barre kou naar de uiterwaarden bij Wageningen. We stalden onze fiets bij de pont. Over het bevroren en platgestampte gras liepen we naar de oever. Onder de bomen stond een kraam met dampende chocolademelk en erwtensoep. Voor ons strekte een eindeloze ijsbaan zich voor ons uit, slierten schaatsers, wolkjes lucht.
We haalden onze schaatsen uit de plastic tas. Ik herinner me de smaak van wanten tussen mijn tanden. Onderbinders van hout, leren riempjes, maar ook oranjewit gestreepte linten die ik met mijn bevroren handen nooit door de gesp kreeg. En mijn vader, die de schaatsen uiteindelijk stevig om mijn voet gespte.
Een stoel had ik niet. In mijn herinnering ploeterde ik geheel zelfstandig over het ijs. Terwijl anderen met doeltreffende bewegingen de laagstaande zon tegemoet schaatsten, zette ik dapper af, deed een paar stappen, en wachtte op een briesje in de rug. Soms deed ik een halfslachtige poging tot het maken van een bocht, een ‘pootje over’ in plaats van een stapje, maar zoveel bravoure eindigde steevast met een botsing of een val.
Daarnaast waren er nog tal van andere problemen die zich op het ijs konden voordoen. Op onfortuinlijke momenten zakte de muts voor mijn ogen, veters schoten los, of ik gleed al tollend en draaiend af naar een wak, waar de eendjes driftig kwakend het naderende onheil becommentarieerden.
Na een uur kreeg ik er genoeg van. Mijn handen waren gevoelloos, mijn benen beurs, mijn voeten bevroren. Eigenlijk lustte ik wel een beker chocolademelk, of een kop erwtensoep, zei ik tegen mijn vader. Dat hebben we thuis ook, antwoordde hij meestal. En zo zat ik een paar uur later weer binnen, en las ik met mijn rug tegen de verwarming Sjakie en de chocoladefabriek, terwijl mijn moeder in de keuken door een pan soep roerde.
Aan dat alles denk ik terwijl ik over de website van De Uithof scrol, op zoek naar geschikte beginnerslessen. Maar nu hoor ik op het weerbericht dat het ook ‘s nachts niet meer gaat vriezen. De schaatslessen stel ik uit. En chocolademelk drink ik wel binnen.