5 maart 2018

Paniek

By In heinde 4 min

Plots lag ik op het tapijt van de opticien, onder de brilletjes met vijftig procent korting op de glazen, de waterkoeler, en de wielen van een wandelwagen.
Iemand legde me in de stabiele zijligging. Een ander depte het zweet van mijn hals. Een ambulance werd gebeld. Ver weg hoorde ik een man zeggen dat ik een beetje gelig werd, en ik dacht: eerst geel, dan blauw, dan wit en stijf. Zo dadelijk moet ik me onder lieflijk engelengezang en luid trompetgeschal verantwoorden bij Petrus voordat ik de hemelpoort door mag, naar eeuwig groene velden, kabbelende riviertjes en lange tafels vol met pure chocola met sinaasappelstukjes en flessen rode wijn.
Ik opende mijn ogen. De opticien wapperde met een suikerzakje voor mijn neus. Een plastic bekertje met water werd tegen mijn lippen gezet. Ik werd de ambulance in gehesen. Een medewerker plakte plakkertjes op mijn buik en borst, en zette een knijpertje op mijn wijsvinger. Nadat duidelijk werd dat ik, althans voorlopig, niet dood zou gaan, hielp hij me de ambulance weer uit en zei: ‘Doe rustig aan. ‘
De dagen erna deed ik rustig aan, maar ik dacht: als ik bij de brillenman zomaar kan flauwvallen, waarom dan niet in de supermarkt, bij de slager, op straat? Het was een mirakel dat ik niet eerder ter aarde was gestort, de gevaren die in mijn lichaam op de loer lagen in ogenschouw nemend. Ja, het was een hemels geschenk dat mijn hart me niet zomaar in de steek liet, een goddelijk wonder dat mijn bloeddruk mijn lichaam overeind hield. Vooralsnog was ik de dodendans ontsprongen, maar hoe lang kon dit nog goed gaan?
Met die gedachte wandelde ik het bos in en niet veel later hing ik hyperventilerend tegen een eik. Ik liet me vallen op het bankje dat ernaast stond en keek liggend op mijn rug naar de voorbijrazende wolken, hoog in de lucht, daar waar Petrus mij spoedig alsnog zou vragen om een lijst van goede daden.
Na dat akkefietje durfde ik niet meer naar welke winkel dan ook. Maar als mijn koelkast leeg was en ik de laatse broodkruimels met mijn wijsvinger van het aanrecht had gegeten, als de melk over datum op was, en de laatste rijstkorrels gekookt, graaide ik mezelf bij elkaar en liep met knikkende knieën naar de supermarkt.
Zenuwachtig stond ik voor de toegangspoortjes, bij de orchideeën die drie euro waren afgeprijst. Ik draaide aan het rek met cadeaukaarten voor een ontspannen weekendje weg. Of ik drentelde bij de kartonnen dozen waarin je lege batterijen en lampen kon deponeren.
Als er geen rijen stonden voor de kassa’s, liep ik door de poorten van de hel naar binnen alsof satan me persoonlijk stond op te wachten bij de groente- en fruitafdeling. Zelfs als ik die had ontweken, kreeg ik alsnog een paniekaanval bij de bakjes Griekse yoghurt of bij de krentenbollen en dan stoof ik langs de kassa naar buiten, waar ik me, boodschaploos, hijgend en zwetend tegen de muur liet vallen.
Uiteindelijk durfde ik helemaal de deur niet meer uit. ‘s Ochtends bij het opstaan bibberden mijn benen al, en ik had de hele dag door een zenuwachtig kuchje. Ik overwoog serieus om in bed te blijven; dan lag ik maar vast.
Toen het echt niet meer ging ontwierp een plan van aanpak. Ik legde de lat laag. Op de eerste dag hoefde ik van mezelf alleen maar de voordeur te openen en mijn neus naar buiten te steken. Op dag twee liep ik naar de hoek van de straat, op dag drie naar de zijstraat. Na een week durfde ik weer een banaantje te kopen bij de groenteboer. En twee weken later liep ik ook het bos weer in. Ik verwacht binnenkort ook weer huppelend de stad te doorkruisen. Alleen de opticien, die laat ik voorlopig nog maar even links liggen.