12 maart 2018

Dip

By In heinde 4 min

‘s Ochtends wist ik het al; dit is zo’n dag.
Zaterdag. Grijze wolken, aanhoudende regen. De winter was voorbij, maar het was nog geen lente. De nacht was voorbij, maar het was nog geen dag, en zoals het ernaar uitzag hield die schemer, zowel op meteorologisch vlak als op het gebied van de gemoedstoestand, nog wel even aan.
Ik sleepte me naar de douche. Hete stralen en de geur van jasmijn brachten enige verlichting in een duister gemoed, maar toen ik, eenmaal aangekleed, de trap afdaalde, kelderde ook mijn humeur weer.
Wanneer het vroeger zo’n dag was, veegde mijn moeder me de deur uit: ga jij maar even buiten spelen! Maar ik heb geen zin, jengelde ik dan op de stoep, waarop mijn moeder antwoordde: dan maak je maar zin! En met een ferme dreun van de deur sloot ze mij buiten. In de speeltuin hing ik met buurtkinderen lamlendig tegen het klimrek, of we zwiepten uit balorigheid aan de takken van de eik totdat ze braken. Onder aanvoering van de dapperste ging een groepje belletje lellen. Ik durfde dat niet, en bovendien vond ik het zielig, zeker als ze aanbelden bij een oud vrouwtje dat na vijf minuten trillend en leunend op een wandelstok opendeed, en de wind haar permanentje in de war blies. Terwijl de rest luid joelend de neerslachtigheid of verveling verdreef, slenterde ik doelloos alleen door de straten van het dorp, en tegen het avondeten was ik redelijk opgemonterd.
Maar dat was vroeger. Nu was er niemand die mij de deur uit zette. Ik wist: bij een zwaar gemoed verlichten frisse lucht, glanzende bladeren, net ontloken krokussen. Maar om die schoonheid te aanschouwen, moest ik mijn benen ontvouwen, opstaan, maar liefst tien stappen zetten van de bank naar de deur, mijn jas van de kapstok halen, voorover bukken om mijn schoenen aan te trekken en mijn veters te strikken, kortom, een serie handelingen die me vanaf de bank onmogelijk te realiseren leek.
Ik draaide mijn hoofd naar het raam, en hapte frisse lucht door het kiertje. De regen gleed nog steeds in straaltjes over het glas. In mijn tuin geen krokussen, wel plassen op de stoeptegels, een emmer die overliep, hangende kopjes van de winterroos.
Kom kom, zei ik tegen mezelf, positief blijven. Ik zou de bijlages van de krant kunnen lezen, of een roman, een gedicht. Ik zou naar muziek kunnen luisteren, een serie kunnen kijken, maar ach, waarom, waartoe, waarvoor.
Onder deze omstandigheden kon je maar het best met iemand anders onder de dekens kruipen voor een lange lome sekssessie, maar die iemand anders was er niet, natuurlijk niet, zie je wel, niemand houdt van mij, wat heeft het voor zin, dit leven, uiteindelijk gaan we toch allemaal dood.
Eenmaal in die molen is het uitkijken geblazen; achter de gordijnen ligt de dip op de loer, de depressie kan elk moment vanachter de bank in je nek springen, en voor je het weet lees je met interesse over een middel dat jou uit je lijden kan verlossen, via internet te koop voor slechts enkele euro’s, dat wist ik nu, want mijn blik valt altijd op dat soort berichten in duistere tijden.
Zo’n dag dus.
Belletje trekken bij de buren. Misschien was het zo’n slecht idee niet.