30 april 2018

Wasserette

By In heinde 4 min

Wasserettes, dat is waar ik vijftien jaar lang mijn was deed. Een eigen Miele had ik door geld- en/of ruimtegebrek niet.
De gewoonte om de was in een wasserette te doen, stamt uit de tijd dat ik woonde in een studentenhuis zonder wasmachine, in Antwerpen, te ver weg om regelmatig naar huis te treinen met kleding en beddengoed. Op zaterdagochtend liep ik daarom met twee plastic zakken naar de wasserette op de hoek. Het was er vochtig en warm, en zelfs midden in de winter rook het er naar lentebloesem en jasmijn. Tientallen wasmachines draaiden, spoelden, centrifugeerden, af en toe tikte een rits of een knoop tegen een raampje. Op de grond lagen plastic zakken van de Aldi en Puma sporttassen. Mannen en vrouwen dommelden op de plastic stoelen voor de beslagen ramen, of bladerden staand tegen de muren door een tijdschrift.
Ik staarde meestal naar de trommel met mijn eigen kleren, handdoeken en hoeslakens. Mijn gedachten draaiden rondjes, klotsten in ruim water en werden met 1200 toeren per minuut gecentrifugeerd, maar tegen de tijd dat het water wegspoelde en de trommel zoemend tot stilstand kwam, waren ze schoon en fris als mijn kleren.
Ik was de dertig al ver gepasseerd toen ik mijn eerste wasmachine kocht. Geld voor een nieuwe had ik niet; bij een tweedehandswinkel viel mijn oog op een smalle bovenlader van Bosch, die precies paste tussen de muur van de badkamer en de schuine balk in mijn slaapkamer, op een plateau dat ik speciaal voor deze finale stap naar volwassenheid had ontdaan van stofzuiger, wasrek en dozen.
Uit ongeduld en enthousiasme vulde ik direct na plaatsing de machine met mijn vuile was, en drukte op start. Hoestend en rochelend stroomde water de machine in, hortend en stotend kwam de trommel in beweging. Tijdens het centrifugeren stuiterde de wasmachine zo hevig dat ik vreesde dat de ramen uit de sponningen zouden trillen en de muren zouden scheuren als in Loppersum.
Toen ik na anderhalf uur de bovenlader opende en het wasgoed op het rek hing, waren mijn kleren bedekt met pluisjes en schilfertjes die zeer zeker niet van mijn wasgoed afkomstig waren. Het rook ook beslist niet naar lentebloesem, eerder naar een herfstig poeltje van stilstaand water met rottende bladeren.
Vóór ik de tweede keer mijn wasmachine gebruikte, plaatste ik rubberen dempers onder haar voeten. Boven de trommel schudde ik een zak soda leeg en vervolgens liet ik de wasmachine drie keer op negentig graden draaien.
Sindsdien komt mijn was schoon en geurend naar rozenblaadjes en jasmijn uit de trommel, maar nog altijd bonkt en stuitert de wasmachine op het plateau. Vaak leg ik tijdens het centrifugeren bezwerend mijn handen op de bovenlader. Zo dansen wij, de wasmachine en ik, op een nachtelijk technofeest. We trillen, schudden, we stampen op de vloer. Na afloop komt de wasmachine schokkend tot stilstand en zijn mijn gedachten gekreukeld; dat is het moment waarop ik terugdenk aan de zacht zoemende machines in de wasserette.