20 juni 2018

Scheikunde

By In heinde 4 min

Aan de overkant van de straat is de vlag gehesen. Een rugzak met rafelige randen hangt aan de stok. De buurjongen is geslaagd. Taart, feest, diploma, zomer. Eindelijk van die school af!
Ik denk terug aan mijn schooltijd, toen het nog mogelijk was om zowel in scheikunde, biologie en wiskunde als in Frans en geschiedenis eindexamen te doen. Op het moment dat ik mijn pakket moest samenstellen had ik een voorkeur voor talen, maar ik wilde toch ook niet geheel uitsluiten dat ik een opleiding fysiotherapie zou doen, om redenen die mij nu volstrekt onduidelijk zijn. Voor fysiotherapie had ik wiskunde en biologie nodig. En als ik wiskunde en biologie moest kiezen, dan kon ik ook net zo goed scheikunde erbij nemen.
Aldus begon ik met een ratjetoe aan vakken aan de laatste twee jaar. Vol enthousiasme stortte ik me op vertalingen vanuit het Engels, ik babbelde Frans, schreef boekverslagen voor Nederlands, en onze lieve Heer zegende de lessen van onze docent geschiedenis.
Maar, oh gruwel, de exacte vakken. Bij biologie kon ik me nog een voorstelling maken van osmose en sapstromen. Bovendien ging er van de tekeningen van ontluikende bloemen een geruststellend idee uit: het werd vanzelf weer lente, en nog eens lente, en dan was ik van die hele middelbare school af. Er was, kortom, nog perspectief na dit ellendige leven.
Bij wiskunde bleef er niet veel over van dat perspectief. Sommen begonnen met een leuk verhaaltje: er zitten 10 rode, 13 blauwe en 8 groene knikkers in een bakje. Wat is de kans dat Piet…? Maar zodra ik met ongrijpbare formules en mijn rekenmachine aan de slag moest, stonden de komma’s en cijfers ineens op de verkeerde plaats, en kreeg ik als uitkomst 32,84 in plaats van 83,42.
Maar werkelijk angstaanjagend waren de scheikundelessen. Bevreesd keek ik naar het bord, waarop de docente met een krijtje verschrikkelijke combinaties van letters en cijfers schreef. Formules die je ook nog eens ‘kloppend moest maken’. Ik staarde naar het periodieke systeem, tevergeefs hopend dat het boek vanzelf het juiste antwoord aan mij zou openbaren.
De docente was een lieve vrouw, die haar best deed om mij scheikundige kennis bij te brengen, en enig zelfvertrouwen. Wanneer ik een proefwerk terugkreeg waar een 4,6 boven prijkte, zei ze bijvoorbeeld bemoedigend: ‘Zie, je gaat vooruit!’ Welnu, dát klopte, want de vorige keer had ik nog een 2,3 gehaald, dus dit was een verdubbeling van mijn cijfer. Wie van mijn klasgenoten had dat ooit voor elkaar gekregen?
Behalve de theorielessen, waren er ook de practica en daarvoor gingen we naar het practicumlokaal ernaast. Er stond een grote metalen kast, aan de muur hingen planken waarop weegschalen stonden, reageerbuisjes, metalen schepjes, glazen potjes met poeders. Ik weet niet waarom ik überhaupt tot die ruimte werd toegelaten.
Tijdens deze practica combineerde ik stoffen op basis van mijn gevoel voor schoonheid, want blauwe vloeistof en groen poeder bijvoorbeeld, dat kleurde zo leuk. Niet zelden liep de vloeistof sissend en bruisend en borrelend over de rand van het reageerbuisje en was de ruimte weldra gevuld met vreemd ruikende dampen, waarop de docente met wapperende handen het practicumlokaal binnen rende en al roepend, ‘Geen paniek! Geen paniek!’, het raam naar de binnenplaats opende, waar de mussen vervolgens een voor een van de takken vielen.
Ik slaagde voor mijn eindexamen, wonderwel zelfs met een voldoende voor scheikunde, maar een opleiding fysiotherapie liet ik uit mededogen voor mijn medemens links liggen. Vol liefde voor de letteren liep ik de zomer tegemoet, nog overtuigd dat ik de rest van mijn leven nóóit meer iets kloppend hoefde te maken.