22 juli 2018

Kom dan, poesie poesie

By In heinde 3 min

In de groepsapp kwam een berichtje binnen van de buren verderop waarin stond aangekondigd dat ze twee poezen hadden gekocht, met daarbij een foto van twee kittens met pluizige kopjes en groene ogen, waarop werd gereageerd met oh’s en ah’s en hartjes.
De eerste weken had ik nergens last van, ik zag tussen de klimop slechts af en toe een oranje kopje, wat ik in eerste instantie nog bestempelde als schattig. Maar daarna vond ik drollen tussen de hosta’s en rook ik vieze geurtjes bij de bloembollen.
Toen ik de poes op een dag weer zag, riep ik, kom dan, poesie poesie, met een bak water in mijn handen om haar de stuipen op het lijf te jagen zodat ze nooit meer zou poepen in mijn tuin, ben je besodemieterd, en jawel, ze kwam mijn kant op geslopen, langs de schutting, maar helaas was ik nét te laat, of de poes nét te snel, waardoor niet zij, maar een pas ontloken krokus verzoop.
Daarom kocht ik een plantenspuit.
Inderdaad poepte de poes daarna niet meer in mijn tuin. Wel liep ze verleidelijk heen en weer over de schutting van mijn buurvrouw, waardoor haar hond de godganse dag blaffend tegen de ruiten opsprong. Ik richtte de plantspuit op haar, maar aangezien de straal slechts een reikwijdte had van één meter, was degene die bespoten werd niet de poes, maar de clematis, die groen en fris tegen het hek opklom.
Daarom kocht ik een waterpistool.
Inderdaad flaneerde de poes daarna niet meer over de schutting. Wel was daar de boom in de tuin van de achterburen, met takken die zich uitstrekten over het platte dak van mijn woonkamer.
Aangemoedigd door een paar onschuldige snaveltjes hoog in de boom klom de poes gisteravond naar boven. Op vijf meter van de grond zat ze vast. Hoger ging niet, lager durfde ze niet, en vliegen kon ze niet.
Kom dan, riep ik, schuddend met koekjes om haar uit de boom te lokken.
Psss, siste ik.
Ksss! riep ik.
Ik gebruikte de plantenspuit en het waterpistool maar ze bleef zitten, miauwend en jankend met hoge uithalen, tot middernacht, tot een uur, twee uur. Af en toe gooide ik het slaapkamerraam open en riep, pss, sss, kss, maar ze bleef klagen tot drie, vier, vijf uur. Natuurlijk is het óók verschrikkelijk zíélig, maar als ik de acrobatische talenten had gehad, of een ladder, dan had ik haar hardhandig aan de staart uit de boom getrokken, als een lasso rondgedraaid en haar bij de buren door de ruiten naar binnen gezwaaid.
Toen ik vanochtend om zes uur met ogen op half zeven uiteindelijk dan maar uit bed stapte en beneden de openslaande deuren opende, sprong het schijnheilige beest soepeltjes van de tak op mijn dak en verdween geruisloos over de schutting in de tuin van de achterburen.
Daarom overweeg ik nu een waterkanon.