30 augustus 2018

Cuba

By In verre 6 min

Deze zomer zou ik wel eens even een paar fotoalbums bij elkaar knippen en plakken, zodat ik eind augustus een rij boekjes op de plank had staan, in plaats van een tienduizend foto’s op een externe harde schijf.
Op de dag dat niet alleen de mussen dood van het dak vielen, maar ik zelf ook bijna het loodje legde vanwege de hitte, kroop ik met een kruik uit de diepvries achter de computer.
Op de harde schijf stonden zo’n vijftien mapjes met landnamen. Ik klikte op Cuba. Foto’s golfden over mijn beeldscherm; waslijnen die als hangbruggetjes tussen de vervallen gebouwen waren gespannen, Trabantjes en Lada’s langs de kant van de weg, mannen met sigaren, gebouwen geschilderd in zuurstokroze, afbeeldingen van Che Quevara.
Ik scrolde door de foto’s, en herinnerde me vooral een dorpje in het zuidwesten. Halverwege een hete middag stapte ik er als enige uit de bus. Het dorp leek verlaten, het was er dor en droog en heet. Een man met paard en wagen sukkelde voorbij, hoeven klikten over het asfalt. Ver weg klonk een radio.
In de zinderende hitte slofte ik met mijn rugzak van de bushalte aan het dorpsplein, langs een kerkje, naar een stoffige straat met winkels waarvan de rolluiken neergelaten waren. Ik sloeg af naar rechts, een zijweg in.
Aan de rechterkant stond een klein huis met een ingevallen dak. De jonge vrouw van de homestay liet me mijn kamer zien, met ramen die uitkeken over bananenplanten en een haan op een stok. Aan de andere kant grensde de kamer aan de keuken. De weken erna hoorde ik ’s ochtends vroeg al geklater van water en het hakken van messen op een houten blok, de geur van uien en knoflook kroop onder de deur door mijn slaapkamer binnen.
Ik pakte mijn rugzak uit en tegen het eind van de middag, toen de zon lager stond, liep ik de weg af richting velden en bergen. Daar, op een kruispunt van zandpaadjes, kwam ik een woest aantrekkelijk Cubaans heerschap te paard tegen. Hij vroeg waar ik naartoe ging. Ik zei: ik weet het niet. Hij zei: spring achterop. En toen was het aan.
In de daaropvolgende weken liet hij me de omgeving zien. We reden te paard langs maisvelden, naar dorpen die op mijn kaart geen naam hadden. Hij leidde me langs hutten, vervallen schuren en naar grotten. We liepen tientallen meters naar binnen, tot er aan het eind, in de lichtbundel van mijn zaklamp, donkere poelen opdoken en we ons langzaam in het roerloze water lieten zakken.
Op het heetst van de dag lagen we in de hangmatten in de schuur van zijn oom, ver weg van de bewoonde wereld. Loom zogen ze aan een sigaar. Buiten tjirpten krekels, voor de schuurdeur scharrelden kippen door het mulle zand, in de hoeken stond verroest gereedschap, een trekker onder een wit laken. Door de kieren van de planken kroop onverbiddelijk licht, pas als het begon te schemeren durfden we weer tevoorschijn te komen. We galoppeerden terug door open velden en struikgewas waaraan ik voortdurend mijn schenen ophaalde.
Aan het begin van de avond kochten we een fles rum bij de slijterij, een ander kwam aanzetten met glaasjes, weer iemand anders met een doos. Urenlang speelden we domino onder de ritselende bladeren van de bomen in de achtertuin. Soms won ik nog de eerste ronde, maar daarna werd ik bedwelmd door de alcohol waardoor de witte stippen zich al rap voor mijn ogen verdubbelden en ik keer op keer het onderspit delfde.
Voor het avondeten schoof ik aan tafel bij de homestay. Vaak vroeg de vrouw me ’s ochtends bij het ontbijt wat ik wilde eten. Op haar vingers telde ze de gerechten die ze voor me kon klaarmaken, zoete aardappelen met vis, rijst met kreeft, ceviche. Als ik koos voor kreeft, dan sloot ze ’s avonds omzichtig de voordeur, voor het geval er ‘een verrader’ door de straat die haar ‘bij de autoriteiten’ zou aangeven, aangezien de kreeft uitsluitend mocht worden geserveerd aan toeristen die gebruik maakten van de staatshotels.
Zo kwam ik erachter dat via de achterdeur allerlei handeltjes werden gedreven; de kreeft werd in de vroege ochtend geleverd, de sigaren kwamen ’s nachts via de vriend van de nicht van de buurvrouw en de niet-officiële gids werd via via aan mij voorgesteld in de keuken met de luiken gesloten.
’s Avonds liepen we naar een café waar mannen nummers zongen van Buena vista social club. We dronken en praatten en ik keek met enige jaloezie naar Cubaanse vrouwen die zwoel de salsa dansten, met heupbewegingen waarvan ik alleen kon dromen.
Halverwege de nacht liepen we halfdronken door de straten terug. Op de hoek van de straat klopte de woestaantrekkelijke Cubaan aan bij de bakkerij. Licht gleed door de gaten in de bakstenen muren, de geur van vers gebakken brood walmde door de straat. De deur werd opengedraaid, en de bakker stak ons ieder een warm broodje toe.
De zomerliefde duurde twee weken, met een verlenging van vier dagen, omdat de piloten van Iberia staakten en ik noodgedwongen en gelukkig langer in Cuba moest blijven.
Dat alles herinnerde ik me toen ik door de foto’s scrolde. Ik selecteerde er een. Nog negenduizend negenhonderdnegenennegentig te gaan. Dat rijtje fotoalbums op de boekenplank komt wel in de herfst.