20 januari 2019

Truus

By In heinde 4 min

De vrouw droeg hetzelfde geurtje als Truus. Ze liep voor me over het Noordeinde, arm in arm met een man. Af en toe bleven ze even staan voor een etalage met driedelige pakken van Oger, of voor glanzende avondjurken. Het miezerde en de wind trok aan haar haren, reet haar zinnen uiteen en strooide de woorden in plukjes over straat. ‘Verderop is dat restaurant …’ en ‘…liever Indisch…’. Maar het was haar geurtje – kruidig, Oosters – waardoor ik ineens van Den Haag in Arnhem belandde, bij Truus.
Truus was mijn docente op de dansacademie. Na een auditie op mijn twaalfde, op een woensdagmiddag in mei, en een lichamelijke keuring in Papendal, ontving ik een brief waarin stond dat ik aangenomen was bij de dansacademie. Romeo, ik kom eraan!
Dagelijks liep ik vanaf station Velperpoort via de rosse buurt naar school. Wanneer onze klasgenoten gym of handvaardigheid hadden, of na schooltijd, kleedden wij – ‘de vier balletjes’ – ons om in een bijgebouw voor vijf kwartier klassieke dans van Truus.
Ik vermoedde dat ze een jaar of vijftig was. Ze had kort haar, en droeg meestal een truitje, een spijkerbroek en daaronder zwartleren balletschoenen met veters. Als ze ons een voetoefening voordeed, trok ze haar broek bij de knieën iets omhoog zodat we haar hoge wreef zagen.
Tijdens de oefeningen werden we begeleid door muziek op een cassetterecorder of cd-speler, of door een pianist die in de hoek van de zaal études van Chopin speelde of heel soms, mijn favoriet, dance of the knights van Prokofiev. Als ze ons wilde opzwepen, klapte Truus de maat mee.
Ze bekeek ons van een afstandje, of ze liep achter ons langs als we aan de barre stonden. Haar geurtje kondigde haar komst aan. Als de specerijen mijn neusgaten bereikten, maakte ik me zo lang mogelijk, strekte ik mijn voeten tot ik kramp in mijn tenen kreeg en besefte dat mijn ontmoeting met Romeo nog wel eens even op zich kon laten wachten.
Met haar wijsvinger drukte Truus mijn kin omhoog, ze controleerde of ik mijn benen goed uit draaide, trok de pijpjes van mijn balletpakje naar beneden. Of ze stopte een gulden tussen duim en wijsvinger – ‘laat ‘m niet op de grond vallen!’ – want die vingers van ons gingen alle kanten op. Wilden wij soms als vogelverschrikkers op het toneel staan? Complimenten gaf ze niet, hoewel ik ‘niet slecht’ wel als zodanig beschouwde.
Het geurtje van Truus mengde zich met al die andere geuren, van zweet, verfrommelde balletpakjes in een tas, stukjes watten tussen ontvelde tenen, deodorant in de kleedkamers, vochtige danslokalen, en daar kwam de geur van canvas bij.
Vlak voor de kerstvakantie zochten we onze eerste spitzen uit. De verkoopster zat te midden van stapels kartonnen dozen in de dansacademie. We namen opgetogen de spitzen aan die ze ons aanreikte. We streelden het roze satijn, doken met onze neus in de punt om die geur van lijm en canvas op te snuiven. Als ik nu maar snel leerde hoe ik daar op moest dansen, dan lag Romeo vanzelf een keer aan mijn voeten. Met roze spitzen en rode konen nam ik de trein naar huis.
In de kerstvakantie naaide ik het elastiek en de linten van satijn aan de spitzen, en om de stof te beschermen stopte ik met een kromme naald de punt – een taakje dat vele uren in beslag nam en wat ironisch genoeg blaren op mijn vingers veroorzaakte.
Na de vakantie hadden we eens per week spitzenles, met een hand aan de barre. Truus tuurde vanachter haar bril naar ons om te beoordelen of onze enkels wel sterk genoeg waren. We zweetten, strompelden, wankelden, en waren al blij als we zonder steun van de barre overeind bleven staan. Romeo was nog héél ver weg, zoveel was wel duidelijk.
Aan het eind van het eerste jaar was het voor drie van de vier balletjes voorbij, ook voor mij. Romeo zag ik vanaf de tweede rang in het theater van Het Nationaal Ballet. Truus verdween geheel uit mijn leven, maar heel soms snuif ik haar geurtje op in regenachtige straten, in volle trams of in de rij bij de kassa en dan is ze er weer even.