10 februari 2019

Herdersroute

By In verre 6 min

Een van de mooiste uitzichten over de Sierra Nevada; dat is wat de eeuwenoude herdersroute van Beas naar Granada de hedendaagse wandelaar biedt. Vooral in de winter is deze wandeling spectaculair. In de andere seizoenen zijn de bergtoppen weliswaar minder besneeuwd, maar ook dan toont deze route de wandelaar een landelijk Andalusië, met beboste hellingen, boomgaarden, een handvol boerderijen (en een enkele bijtgrage hond). Bonus: je hebt de route bijna voor jezelf.

Afgezien van een oude Spanjaard die schuin achter de chauffeur zit en op luide toon de aanhoudende droogte in Andalusië bespreekt, ben ik de enige die op een woensdagochtend om half negen vanuit Granada met de bus naar Beas de Granada rijdt.
Beas is een dorp 16 kilometer ten noordoosten van Granada en het ligt bijna 400 meter hoger, wat de wandeling terug betrekkelijk eenvoudig maakt. Volgens sommigen is de naam van het dorp afgeleid van het Latijnse veas, ‘kruispunt van wegen’, anderen zeggen dat zij afkomstig is van de mozarabische betekenis vega, ‘vruchtbare grond’. Eeuwenlang werd het pad gebruikt door herders die hun vee over de bergruggen naar grazige weiden leidden.
Als ik de bus uitstap, is het fris. Ik rits mijn jack dicht, drink staand aan een bar een café con leche om op te warmen en haal dan de routebeschrijving uit mijn zak. Een vrouw met een stokbrood onder de arm komt naar me toe en vraagt waar ik naartoe ga.
‘Naar Granada,’ zeg ik.
‘Vanaf de calle Ocaña?’ vraagt ze. ‘Over de bergrug?’ Ze plukt korstjes van haar stokbrood en stopt die in haar mond.
‘Sí,’ zeg ik.
‘Dat duurt úren,’ zegt ze.
Ik zeg dat ik hoop dat het uren duurt.
‘Je kan ook daar naar beneden.’ Ze wijst naar een zijstraat. ‘Dat is de weg die ik altijd neem als ik naar Granada wandel. Twee rivieren over en alsmaar rechtdoor.’
Het klinkt alsof ze me de weg wijst naar de dichtstbijzijnde supermarkt, driehonderd meter verderop. Het lijkt me een uiterst summiere beschrijving van de kortste route naar Granada.
‘Ik neem toch liever deze weg,’ zeg ik, want de wandeling via de calle Ocaña duurt weliswaar uren, maar ik heb er wél een routebeschrijving van.
‘Wil je brood mee?’ vraagt ze.
‘No, gracias.’ In mijn rugzak zitten drie broodjes, twee bananen, een rol koekjes en zoveel liter water dat ik lichtjes naar achteren hel.
Ze zwaait me uit met haar stokbrood en ik loop de calle Ocaña uit, die overgaat in een breed pad van zand en steen. Honderd meter verderop, bij een boerderij, springt een pittig ding met blinkende tanden springt grommend tegen een hek. Op het erf scharrelen kippen, een vrouw wiedt onkruid tussen de stenen.
Na een korte klim sta ik op de bergrug. Beas de Granada ligt in de palm van de bergen. In het oosten strekt de Sierra Nevada zich uit, de toppen besneeuwd. Het is verleidelijk om hier al te gaan zitten, op een rots in de zon, en te wachten tot de nevel tussen de heuvels optrekt, maar Granada ligt vijftien kilometer verderop.
Ik klauter verder de heuvel op en laat de zijweggetjes, geheel volgens de routebeschrijving, links liggen. Net op het moment dat de twijfel toeslaat – die anderhalve kilometer heb ik toch alláng afgelegd? – klinkt er dof geklop op de helling. Een man met ontbloot bovenlijf bewerkt voorovergebogen de grond met een zeis. Zijn grijze rasta’s zijn bijeen gebonden met elastiek, op zijn rug parelen zweetdruppels.
‘Hola!’ roep ik.
Hij laat zijn zeis op de grond vallen, hijst zijn korte broek op.
Ik vraag of dit de weg is naar Granada. Hij knikt en antwoordt dat ik rechts moet aanhouden, bij een driesprong links, en vanaf de kruising alsmaar rechtdoor. Hij gebaart dat ik even moet wachten en gaat met zijn hele gewicht aan de tak van een amandelboom hangen. Als die is afgebroken bukt hij voorover om noten van de grond te rapen en giet de amandelen in mijn handen. Als afscheid werpt hij me een handkus toe.
Met de noten in mijn jaszak en zijn routebeschrijving in mijn hoofd wandel ik verder. Na het kruispunt begint een kilometerslange daling over de bergrug. Aan beide zijden kronkelen paden de dalen in, in de valleien staan de olijfbomen keurig in het gelid.
Staand, met de wind langs mijn oren en de zon op mijn gezicht, eet ik een broodje met chorizo. Aan de horizon glijdt een wolk voorbij. Het is stil; slechts de bellen van grazende koeien luiden dof door het dal, een vogel scheert over het pad. Andere geluiden veroorzaak ik zelf wanneer ik weer in beweging kom; het schuren van mijn rugzak, het geklots van het water in de fles, mijn voetstappen over het pad, en af en toe een steen die onder mijn schoenen wegschiet en de helling af rolt.
Na een paar kilometer komt het pad uit op een kruising. In de schaduw van een boom zit een oude man op een stronk. Hij draagt een hoed met brede rand en om zijn hals hangt een leren riem, de uiteinden omklemt hij met zijn handen. Zijn hond komt me kwispelend tegemoet.
‘Hola,’ zegt de man. ‘Kom je van ver?’
‘Beas,’ zeg ik.
Hij knikt, of hij schudt zijn hoofd, dat valt uit de beweging die hij maakt niet af te leiden.
‘Eenzame wandeling zeker?’
Ik zeg dat ik een hond ben tegengekomen, een man met een zeis, een kudde koeien.
Hij kijkt richting de Sierra Nevada. De sneeuw schittert nu de nevel is opgetrokken en de zon hoog aan de hemel staat.
‘Overmorgen openen de hotels.’ Hij knikt naar de bergtoppen. ‘Maar veel sneeuw ligt er nog niet.’
Het staat elke dag in de krant, en wandelingen door Andalusië laten het zien; gebarsten aarde, verdroogde olijven, trossen druiven die kleiner uitvallen dan de voorgaande jaren. Er is nauwelijks neerslag gevallen dit jaar. Hotels in de Sierra Nevada die gewoonlijk het hele jaar geopend zijn blijven open, maar sommige ketens houden hun deuren voorlopig gesloten. Voor sneeuw wordt gebruik gemaakt van kanonnen.
‘Drie jaar geleden waren de flanken helemaal met sneeuw bedekt, en zie hoe weinig er nu ligt.’
‘Ze zeggen dat het binnenkort gaat het regenen,’ zeg ik.
‘Dat zeggen ze al máánden,’ zegt hij.
Zijn hond drentelt om me heen, snuffelt aan mijn handen, de geur van chorizo moet nog aan mijn vingers zitten.
‘En nu?’ vraagt hij.
Ik weet niet of hij de stand van de wereld in het algemeen bedoelt, de klimaatverandering in het bijzonder, of dat hij wil weten wat ik na dit gesprek ga doen.
‘Granada,’ zegt hij. ‘Hier rechtdoor, dan kom je over vijf kwartier vanzelf bij het Alhambra.’ Hij tikt tegen de rand van zijn hoed bij wijze van afscheid.
Via een slingerende weg wandel ik omhoog, het park in, maar vanzelf gaat het niet, en het duurt ook iets langer dan vijf kwartier, waarschijnlijk omdat ik het verschil tussen ‘rechts aanhouden’ en ‘rechts afslaan’, dat op sommige punten van een route van fundamenteel belang is, over het hoofd zie. Het maakt niet uit: vanuit het park leiden alle wegen naar Granada.
In het Parque Periurbano Dehesa del Generalife zijn er weinig wandelaars, veel mountainbikers. Met muziek in hun oren, een helm op hun hoofd, en zweetdruppels op hun neus beklimmen ze de hellingen in de laagste versnelling. Hun fietsbanden knerpen over het grind. Wanneer ze me passeren hijgen ze buenas tardes in mijn nek.
Onder de bomen is het koeler en vochtiger, het ruikt er naar coniferen en dennen. De wandeling leidt nu langs picknickbanken, een doel zonder net en een paar kilometer verderop, onverwacht, langs de Silla del Moro, in de middeleeuwen gebouwd om de Generalife te beschermen tegen aanvallen. De plek is niet alleen strategisch, maar ook prachtig, met uitzicht over de witte huizen van het Albayzín, de rivier Darro die tussen de valleien door stroomt, het Alhambra. Het rode kasteel is omringd door groene cipressen, door de vlindervormige bladeren van de gingko, populieren, iepen en essen in herfstkleuren.
Het bezoek aan het Alhambra is voor morgen. Nu wandel ik langs de muren van het kasteel, langs de Puerta de Justicia, via de calle Comares naar beneden, sneller dan het water dat langs beide zijden van de weg naar beneden klatert, rap naar een terras voor een glas wijn met gefrituurde inktvisringetjes, gehaktballetjes in tomatensaus en patatas bravas met een dot ketchup.