20 februari 2019

Hypochonder

By In heinde 3 min

Er zijn warmbloedige zoogdieren die op de eerste lentedag meteen in T-shirt en op sandalen lopen. Ik niet, want ik heb het altijd koud. Met vijftien graden zit ik nog met wanten en muts bij het haardvuur. Als iedereen witte wijn nipt op het terras, drink ik nog warme chocolademelk onder drie wollen dekentjes.
Maar niemand is een binnenmens. Dus die eerste lentedag stap ook ik, verpakt in wandelschoenen, een dikke broek, twee truien, een winterjas en handschoenen naar buiten. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen worden mijn handen eerst wit, dan blauw en daarna, als ze na een uur weer warm worden, rood en dik. Ik weet, omdat de huisarts het mij al meerdere keren heel geduldig heeft uitgelegd, dat dit niets ernstigs is. Maar nu krijg ik ook bultjes op de zijkanten van mijn vingers en blaasjes in de palm van mijn hand.
Volgens onderzoek zijn Nederlanders Europees kampioen ziektes zoeken op internet, en ik durf wel te beweren dat ik de kampioen der kampioenen ben. In geval van vlekjes, plekjes, onverklaarbare zwellingen en wat dies meer zij, doe ik twintig online testen in vier verschillende talen en lees ik alle beschikbare documenten over de betreffende aandoening op zoek naar de oorzaak. Zo’n drie keer per maand concludeer ik dat ik op sterven na dood ben.
Online beantwoord ik ook vragen over deze bultjes en blaasjes. Of ze pijnlijk zijn en of er vocht uit de blaasjes komt. Dat niet, maar voor de zekerheid vul ik in van wel, want dan weet ik meteen wat ik in het ergste geval onder de leden heb. Bevriezing, dat is het. Cellen raken beschadigd, in mijn aderen vormen zich kristalletjes, mijn vingers sterven af.
Met mijn rechterhand in een bak met heet water, en in mijn linkerhand mijn mobiel bel ik naar de huisarts voor een spoedafspraak. Ik krijg de doktersassistente aan de lijn.
‘Hoe lang heeft u er al last van? vraagt ze.
‘Al wel twee hele uren en tien volle minuten,’ zeg ik.
‘Twee uurtjes,’ zegt de assistente. ‘Juist.’
‘Ik wil graag een afspraak maken bij de huisarts,’ zeg ik. ‘Mijn vingers sterven af.’
‘Over twee weken is uw arts weer terug van vakantie,’ zegt de assistente.
‘Over twee weken ben ik dood,’ zeg ik. ‘Is er nog een andere huisarts bij wie ik terecht kan?’
‘Morgenochtend heb ik nog een gaatje,’ zegt de assistente.
Bij de huisarts doe ik mijn verhaal. Hij kijkt, klopt op mijn vingers en legt uit, over het primaire syndroom van Raynaud, secundaire Raynaud, en ontstekingen, zwellingen en bevriezing.
‘Maar dat heb jij niet,’ zegt de arts. ‘Deze blaasjes komen soms voor bij Raynaud. Niets ernstigs.’
‘Dus ik sterf niet af?’ vraag ik.
‘Nog niet,’ zegt hij.
‘Dus heb ik geen kristallen,’ vraag ik.
‘Dat weet ik niet,’ zegt de arts, ‘maar in ieder geval niet in je vingers.’
Binnen twee minuten sta ik weer buiten. Na de lente komt de zomer. Dan is bevriezing van de baan, maar heb ik weer warmteblaasjes. Ook niets ernstigs, heeft de huisarts me al meerdere keren heel geduldig uitgelegd.