20 maart 2019

Osuna

By In verre 8 min

Fans van Game of Thrones kennen Osuna, Andalusië, van de plaza de toros, waar een spectaculaire vechtscėne werd opgenomen. Andere toeristen stappen in dit stadje uit om hun benen te strekken in de calle San Pedro, door de Unesco uitgeroepen tot een van de mooiste straten van Europa. En een enkeling komt er om de herberg te zoeken waar de Amerikaanse schrijver Washington Irving verbleef in de nacht van 2 op 3 mei 1829.

Begin negentiende eeuw, tijdens de romantiek, oefende Osuna en omstreken een opmerkelijke aantrekkingskracht uit op reizigers; schilders maakten er pentekeningen van het ongerepte landschap, dichters bejubelden het karakter van de Spanjaarden, de eenvoud, de rijke geschiedenis van Andalusië. Maar het was vooral de Amerikaanse schrijver Washington Irving (New York, 1783-1859) die grote invloed heeft gehad op de romantische beeldvorming van dit deel van Spanje.
In 1832 publiceerde hij ‘Verhalen van het Alhambra’, een bundel met verhalen over de geschiedenis van Andalusië, en met mythes en legendes over dit laatste Moorse bolwerk. In De reis, het inleidende hoofdstuk van het boek, beschrijft Irving de vijfdaagse tocht te paard van Sevilla naar Granada die hij, voorafgaand aan zijn verblijf in het Alhambra, maakte met de Russische Prins Dolgorouki en een Spaanse gids.
In de voetsporen van Irving wandel ik dezelfde route, langs middeleeuwse molens en snelwegen, door olijfgaarden en over industrieterreinen. Twee weken na vertrek uit Sevilla kom ik, via Alcalá de Guadaíra en Arahal, aan in Osuna en ga op zoek naar de herberg waar hij overnachtte.
Washington Irving is in De reis niet erg scheutig met details over de stad en de herberg: ‘Tegen vijf uur kwamen we aan in Osuna, een stad met vijftienduizend inwoners, gelegen tegen een heuvel, met een kerk, en de ruïne van een kasteel. De herberg lag buiten de stadsmuren en zag er troosteloos uit.’
De kerk, dat moet de Colegiata de Nuestra Señora de la Asunción zijn, gebouwd aan het begin van de zestiende eeuw, tijdens de renaissance. In de crypten onder het altaar liggen de graven van Osuna begraven, in de kathedraal zelf hangen onder andere schilderijen van José de Ribera. En met het kasteel, inmiddels gerestaureerd, verwees Irving naar de Universiteit van Osuna, achter de Colegiata, met vier torens, en een weids uitzicht over de heuvelachtige omgeving. Maar de herberg, die laat zich niet makkelijk vinden.
De zoektocht begint voor vertrek in de Koninklijke Bibliotheek, maar de aantekeningen in Irvings notitieboekjes en de brieven naar familie en vrienden leveren geen naam op van de herberg, geen adres of specifieke beschrijving.
Eenmaal in Osuna begin ik bij El caballo blanco, volgens de website van het hotel een herberg uit de zestiende eeuw. Troosteloos is het niet; er is een brede entree, waar oude tekeningen aan de muren hangen, vazen bloemen op de tafels, een grote binnenplaats. De eigenaresse beaamt dat de herberg al generatieslang in het bezit van de familie is, maar er is geen archief bewaard gebleven van de gasten. Ze zou niet kunnen zeggen of Washington Irving in een van de kamers heeft geslapen.
‘Vraag het eens na bij het Bureau voor Toerisme,’ zegt ze.
Osuna laat zich het best te voet ontdekken: pleintjes met klaterende fonteinen, een oude graanschuur, het plaza de toros, kerken en kloosters, zoals het Monasterio de la Encarnación, waar nonnen vooral in de periode voor kerst noga en zoete koekjes verkopen.
Veel van deze culturele en religieuze gebouwen, waaronder ook La Colegiata, werden gebouwd onder auspiciën van Juan Téllez Girón, zestiende-eeuws edelman en een belangrijk mecenas. Onder zijn invloed groeide Osuna uit tot een toonbeeld van de Sevillaanse renaissance en werd de stad een belangrijk centrum voor geleerden en kunstenaars.
Terwijl er steeds meer grootse gebouwen binnen de stadsmuren werden opgetrokken, zochten de inwoners van Osuna naar woonruimte in de buitenwijken. Ook daar verrezen in de daaropvolgende eeuwen, vooral tijdens de economische bloei in de achttiende eeuw, barokke paleizen, zoals het Palacio del Marquéz de la Gomera, en statige herenhuizen met indrukwekkende gevels en poorten.
Het Bureau voor Toerisme is gevestigd in zo’n herenhuis, met patio en galerijen. Op de balie liggen boeken van Irving naast folders over de Game of Thrones tour. De medewerkster kan me niet verder helpen met de plaats van de herberg.
‘Ga naar het gemeentehuis,’ zegt ze.
Het gemeentehuis ligt schuin tegenover het negentiende-eeuwse casino, aan de plaza mayor, een vierkant plein waar meiden in naveltruitjes de rook van hun sigaretten naar de hemel blazen en mannen met opgestroopte hemdsmouwen op de terrassen lunchen.
In een grote zaal met kronkelende kabels over de vloer, tl-buizen aan het plafond en uitpuilende archiefkasten luistert een ambtenaar aandachtig naar mijn zoektocht.
‘Ga naar het gemeentelijk archief in het Casa de Cultura. En vraag naar Paco,’ zegt ze.
De plaatselijke bibliotheek waar het archief zich bevindt is een gebouw met dikke muren en kleine ramen. Er valt zo weinig licht naar binnen dat ook midden op de dag de lampen aangeknipt zijn. Op de achtergrond klinkt jazzmuziek. Een archief uit de eerste helft van de negentiende eeuw, compleet met namen en adressen van de herbergen, heeft Paco niet. Wel legt hij een stapel naslagwerken voor me neer over de geschiedenis van Osuna. Misschien, zegt hij, – misschien, hè! – , staat daarin wel iets vermeld over de herberg.
Volgens het algemeen kadaster telde Osuna in het jaar 1751, tachtig jaar voor de komst van Irving, vier chirurgen, vijf chocolatiers, negen hoedenmakers, twaalf wevers, een vijftigtal bakkerijen en negen herbergen, waarvan er vijf behoorden aan de geestelijkheid, en de overige vier in het bezit waren van particulieren. Namen en straatnamen worden niet genoemd.
Twintig jaar ná de komst van Irving, tussen 1845 en 1855, publiceert Pascual Madoz de gelijknamige geografisch-statistisch-historische encyclopedie van Spanje en zijn bezittingen overzee. Tegen die tijd zijn er in Osuna 2.283 huizen, twee café’s, een casino, ‘netjes ingericht, waar de leden zich vermaken met het lezen van politieke en literaire kranten en tijdschriften, met kaarten en andere spelen die door de wet zijn toegestaan.’ Ook vermeldt hij tien herbergen en twee luxere verblijfplaatsen waar ‘de reiziger van alle gemakken is voorzien’.
Richard Ford, tijdgenoot van Irving en eveneens fervent reiziger, is in zijn ‘Handboek voor reizigers door Andalusië en lezers thuis’ (1844) in tegenstelling tot Irving wél te spreken over die herbergen in Osuna. Volgens hem ligt de beste in westelijke richting, aan de rand van de stad, en buiten de stadsmuren.
In de loop van de tijd is die middeleeuwse muur grotendeels afgebrokkeld, en afgebroken om de bouw van nieuwe huizen mogelijk te maken. De stenen werden hergebruikt voor de constructie van het plaza de toros. Op een kaart in ‘De muren van Osuna’ staat aangegeven waar de muur vermoedelijk liep. Irvings herberg lag buiten de stadsmuur, net als El caballo blanco.
Aan het begin van de avond dwaal ik door de straten. Hoewel een groot deel van Osuna goed is onderhouden, zijn er in donkere smalle zijstraten ook vervallen huizen te vinden; verroeste sloten, ingevallen deuren, bladderende verf, luiken die scheef hangen, en her en der plastic flesjes in gebroken ramen.
Maar eenmaal terug in de goed verlichte calle Sevilla zie ik een uithangbord hangen waarop staat El rey Arturo. King Arthur. Niet Spaans, wel oud. Bij de ingang hangt een gordijn van rood fluweel, binnen flakkeren kaarsen op houten tafels. Is dit dan de plek waar de waardin Irving bediende en waar hij tijdens die koude avond een doos sigaren uitdeelde aan de gasten die rondom het haardvuur zaten?
De vrouw achter de bar schudt haar hoofd.
‘Dit huis is gebouwd aan het eind van de negentiende eeuw.’ Ze ontkurkt een fles wijn. ‘En hier stonden paard en wagen.’
Navraag bij andere gasten leidt tot discussie, vele handgebaren, en verschillende straatnummers, maar ze zijn het erover eens dat de herberg van Irving stond in de calle Luis de Molina. Een man houdt zijn handen bij wijze van overgave omhoog. ‘Maar pin ons er niet op vast.’
‘Niet El caballo blanco?’ vraag ik. ‘In de calle Granada?’
‘No no no.’ Eensgezind schudden ze hun hoofden.
‘Luis de Molina. Naast het casino. Een van de huizen aan de rechterkant,’ zegt hij. ‘Daar moet je wezen.’
Buiten schemert en regent het, de kasseien glinsteren. De Colegiata steekt verlicht boven de stad uit. Ik loop richting het noorden, waar mensen gehaast de plaza mayor oversteken of schuilen in het bushokje.
De calle Luis de Molina ligt nét buiten het gebied waar vroeger de middeleeuwse muur liep. Er staan wit gepleisterde huizen. Misschien stond de herberg waar Irving die nacht in mei 1829 verbleef op de plek waar nu een fotograaf werkt, of is het de woning waar voor het openstaande raam een man luidkeels een Spaans lied meezingt. Maar misschien ook niet.