30 juli 2016

Opium en limoensap

By In verre 8 min

Met een vip-bus reisde ik van Luang Prabang naar Vang Vieng. Een vip-bus is een minibus waarin altijd één persoon meer moet meereizen dan mogelijk is. Daarom is er aan de zijkant, bij de deur, een klapstoeltje.
Als je in de bus een goede plek wilt bemachtigen dan is het niet de bedoeling dat je je medepassagiers als eerste laat instappen omdat je het zíelig vindt, die jonge knul die een kater heeft en wallen tot op zijn kin, omdat je van mening bent dat vijfenzestigplussers de meest comfortabele plaatsen dienen te krijgen of omdat je vindt dat stelletjes naast elkaar horen te zitten.
Nee! Waar het om gaat bij het verkrijgen van de beste plek in de vip-bus is geniepig elleboogwerk en teengetrappel. Die knul had de avond ervoor niet te veel moeten zuipen, die oudjes hadden niet tot hun pensioen moeten wachten met reizen en dat stelletje knuffelt thuis maar op de bank. Zodra de bus komt aanrijden been je naar de deur en stap je als eerste in, hup! Je trapt nog een paar keer naar achteren en daarna kruip je over de bank naar beste plek, precies in het midden, met het beste uitzicht op het adembenemende landschap. Je maakt het jezelf gemakkelijk en gaat wijdbeens zitten. Zo snel mogelijk stop je de dopjes van je MP3 speler in je oren en wanneer er op je schouder wordt getikt door een passagier die een beetje ruimte wil, kijk je verbaasd op, of beter, je doet alsof je slaapt op die zachtleren bekleding en met die hoofdsteun in je nek. Dát is hoe je de beste plek bemachtigt in de bus, want laten we wel wezen: in dit leven gaat het om de survival of the fittest, en de sterkste, dat ben jij!
Maar dat bedacht ik nadat ik iedereen voor had laten gaan, als laatste de bus instapte en er geen stoel meer over bleek te zijn. Of toch: een uitklapkrukje!
Ik ging zitten, naast Ben. Ben was vijftig en groot en kaal en onder de mouw van zijn T-shirt stak een stukje van zijn tatoeage, maar of het de staart van een draak was, of een hartje, kon ik niet zien. Hij was bedroefd, want hij had die ochtend afscheid moeten nemen van zijn favoriete T-shirt.
‘Hij stond op het punt een cocktail te nemen van opium en limoensap,’ zei zijn vrouw.
‘Opium?’ vroeg ik. ‘Limoensap?’
‘Dodelijke combi.’ Ben rolde met zijn ogen en liet zijn hoofd op zijn schouders zakken. ‘Maar Vang Vieng is een goede afleiding. Er is van álles te doen daar. Tubing!’
Ik begreep dat je bij tubing met een busje naar een plek drie kilometer ten noorden van Vang Vieng wordt gereden. Daar krijg je een reddingsvest en een tractorband en vervolgens ga je met de band om je middel te water en dobber je de Nam Song rivier af totdat je weer in Vang Vieng bent. Onderweg kan je stoppen voor een drankje. Sommigen drinken te veel drankjes en spoelen dood aan.
‘Je kan er ook kajakken,’ zei hij.
‘Hmm,’ zei ik.
Door een gat in het asfalt stuiterde ik van het klapstoeltje bij Ben op schoot.
‘Of kanoën,’ fluisterde hij in mijn oor.
Zijn vrouw trok haar wenkbrauw op. Ik schoof terug naar mijn vip-klapstoeltje.
De laatste keer dat ik had gekajakt of gekanood of gewildwaterraft, of wat het ook was wat ik in een bootje op een rivier deed, was in de Spaanse Pyreneeën, met een vriend die bij elk naderend rotsblok Olé! Olé! riep terwijl ik jammerde dat ik nog niet dood wilde. De enige prettige herinnering aan dat weekend was dat in het hotel bij het ontbijtbuffet chocoladedonuts werden geserveerd.
‘Paardrijden,’ zei Ben.
‘Oh,’ zei ik. ‘Ja ja.’
Ik herinnerde me ineens de dag dat ik over een stoffig paadje in een Cubaans dorp liep en een woest aantrekkelijk heerschap te paard halt hield en mij vroeg waar ik naartoe ging. Ik viel in katzwijm in het mulle zand, voor de paardenhoeven. Tegen de tijd dat ik weer was opgekrabbeld was hij van zijn ros gesprongen.
De dagen erna reden we samen op zijn paard urenlang over vlakten en langs bergen en door dorpen, wat ik, ondanks dat ik mijn scheenbenen voortdurend open haalde aan het struikgewas, ontzettend romantisch vond.
Het probleem was dat ik af en toe een eigen merrie kreeg. Omdat ik bang was haar pijn te doen durfde ik mijn hielen niet te hard in haar flanken te drukken of te hard aan de teugels te trekken, dus als ik haar tot actie wilde dwingen streelde ik haar manen en fluisterde zwakjes tóé dan.
Door mijn gebrek aan overwicht deed het paard waar het zelf zin in had, en dat was grazen aan het struikgewas terwijl mijn cowboy aan de horizon verdween, of steigeren en galopperen waardoor ik van het zadel werd geworpen en aan de teugels door stof en struikgewas werd getrokken totdat mijn woesteling honderden meters achter mij met zijn tong klakte en het paard plotsklaps midden in de stront halt hield en keurig wachtte, het schijnheilige beest.
Ben stootte mij aan.
‘Ballooning!’ riep hij.
‘Juist,’ zei ik.
‘Rock climbing! Caving! Rafting!’
‘Nou nou,’ zei ik.
We reden tussen hoge kliffen van krijt. Van de hellingen stroomden zand, klei en rotsblokken naar beneden het dal in. Soms moest de chauffeur stoppen omdat voor ons scholvers het puin van de weg ruimden. Van een dergelijke pauze maakte ik gebruik om van positie te wisselen. Ik zat gehurkt op het krukje, in kleermakerszit of ik hing ondersteboven aan de handvaten. Soms spartelde ik met mijn benen in de lucht of bungelden mijn voeten over de hoofdsteunen van de passagier die voor mij zat.
‘En?’ vroeg Ben toen we aankwamen in Vang Vieng. ‘Weet je al wat je gaat doen?’
De buschauffeur opende de deur. Ik rolde van mijn klapstoeltje op de parkeerplaats van het busstation.
‘Ik ga wandelen,’ zei ik. ‘Of fietsen.’
In het centrum zwaaiden achttienjarigen in zwemkleding lallend met een bierblikje in hun ene hand en een rubberen band in hun andere over straat. Dit was beslist niet mijn bestemming. Maar ach. Als ik het echt niet meer zag zitten, kon ik altijd nog een cocktail van opium en limoensap innemen.