14 juni 2017

Nachtelijk wachten voor het Alhambra

By In verre 6 min
Ik was gewaarschuwd. Entreebewijzen voor het Alhambra in Granada moest ik, zo werd mij van verschillende kanten medegedeeld, ‘van te voren’ online bestellen om te voorkomen dat ik zonder kaartje voor de poorten stond.
Twee dagen ‘van te voren’ bezocht ik de betreffende website. Alle kaartjes waren uitverkocht, niet alleen voor de vrijdag, maar ook voor de aankomende drie weken. Wel vond ik na driftig klikken in een duister hoekje van de website nog een kaartje voor het betreden van het Alhambra, de Generalife en de tuinen onder leiding van een persoonlijke gids, en een avondconcert toe, voor 250 euro, een kaartje waarvan de prijs ver boven mijn budget lag en bovendien geldig was op de dag dat ik terugvloog naar Nederland.
Maar niet getreurd! Voor mensen die dachten dat het ‘van te voren’ allemaal wel mee zou vallen, voor uitstellers en last minute reizigers bestond de mogelijkheid om op de dag zelf in de rij te gaan staan voor kaartjes. Ik informeerde her en der hoe laat je dan verwacht werd er te zijn. Het antwoord varieerde: vanaf uur of zeven ‘s ochtends tot, in de week rond Pasen, twaalf uur.
‘Twaalf uur ‘s nachts?’ vroeg ik nog.
Het was geen Pasen, maar een vrijdag in mei. Ik veroorloofde me een halve nacht slaap. Mijn wekker ging om drie uur. Ik strompelde uit bed, poetste mijn tanden, gooide een plens koud water over mijn gezicht en kleedde me aan.
Buiten was het koel, maar niet zo stil als ik had verwacht. Ik liep de Calle Elvira uit, langs de Boom Boom Room, waar dronken studenten verbaal een ruzie uitvochten. Een enkele zwerver lag voor de dorpel van een leegstaand pand. Op het Plaza Nueva stonden plukjes chauffeurs bij hun taxi’s, een schoonmaker duwde zijn karretje achter zich aan terwijl hij diep aan zijn sigaret trok. Het uiteinde van de peuk lichtte oranje op in het donker.
Voorbij het plein liep de Cuesta de Gomérez licht slingerend omhoog. Hier was ik alleen. Tussen de bomen verlichtten lantaarns  de weg. Aan de linkerkant doemden de muren van het kasteel op. Aan beide zijden van de weg klaterde water door stenen gleuven naar beneden.
In twintig minuten was ik bij de ingang van het Alhambra. In het donker ontwaarde ik de contouren van een rij. De eersten, die, bij navraag, vanaf een uur ‘s nachts al aan het wachten waren, zaten op de grond, met de capuchon van hun sweater over het hoofd getrokken, en kaartten in het licht van een zaklamp.
Ik moest kiezen; de rij voor de kaartjesautomaten, waar het, volgens de mensen die ik sprak, véél sneller ging, of de rij voor de kassa’s, waar mensen van vlees en bloed entreebewijzen verkochten. Gezien mijn ervaring met apparaten in het algemeen en drukknopjes in het bijzonder, leek de kans op een kaartje mij groter als ik me zou aansluiten bij de laatste.
Ik liep langs zo’n veertig, vijftig mensen en sloot achter aan. Als er, zoals in de reisgids stond, dagelijks eenderde van het totaal aantal kaartjes op de dag zelf aan de kassa werd verkocht, en er dus 2000 beschikbaar waren, dan kon het niet anders dan dat ik een entreebewijs zou bemachtigen. Sterker nog, ik had nog wel een paar uurtjes langer in bed kunnen blijven liggen.
Voor mij stond een echtpaar uit Amerika. Zij was manager. Hij  fysicus, die nog een rede moest schrijven voor een congres in Barcelona en daarom met zijn laptop op een bankje verderop ging zitten. Achter mij sloot een stel uit Oezbekistan aan. Hij werkte in Parijs, zij in Dubai, en ze deden samen in vijf dagen vier Spaanse steden aan.
We spreidden onze jassen uit op de grond en gingen zitten. We praatten, mijmerden gesloten ogen, dachten hardop na over de laatste keer dat we zo vroeg waren opgestaan om in de rij te gaan staan voor concertkaartjes, voor een apparaat, voor iets. Voor de Amerikaanse was dat om bij de tweede inauguratie van Obama aanwezig te zijn, de Oezbeek had begin jaren negentig voor het laatste in de rij gestaan in Rusland, voor een brood. Ik zweeg. Mijn laatste keer was de rij voor de kassa bij  de plaatselijke supermarkt, en dat was niet eens ‘s nachts.
Het begon te miezeren. We stonden op, kropen met z’n allen dicht tegen elkaar aan onder de parasols. Het was mogelijk om staand weer in slaap te vallen. Regendruppels tikten tegen de stof, het begon harder te waaien. De boomtoppen en de scharnieren piepten.
Uit het struikgewas kwam ineens een man tevoorschijn die paraplu’s verkocht, ongetwijfeld dezelfde man die bij mooi weer ineens softijsjes uit zijn rugzak tovert, en in de winter rondloopt met mutsen en sjaals.
De vogels begonnen te fluiten, het werd licht. Nu zag ik dat de ogen van de Oezbeek helderblauw waren, de lachrimpeltjes van de Amerikaanse. We rekten ons uit, strekten onze benen. Blijkbaar was er nu ook ergens een winkeltje geopend, want mensen gingen en keerden terug met kopjes koffie waar ik slechts verlangend naar kon kijken, aangezien mijn drang om te plassen vele malen groter was dan mijn behoefte aan cafeïne.
Om kwart over zeven stopte het met regenen. We kropen onder de parasols vandaan en probeerden gebroederlijk de rij weer te herstructureren. Paraplu’s waren ingeklapt, regenjassen opgeborgen.
‘Gaan jullie maar voor,’ zei ik tegen het Oezbeekse stel. ‘Zoveel zal het niet uitmaken.’
‘Daar krijg je spijt van,’ zei zij.
‘We all get tickets,’ zei hij. ‘for sure. For sure!’
Maar toen rond half acht op een scherm het aantal beschikbare kaartjes kwam te staan, bleek dat er, in plaats van de verwachte 2000 tickets, voor die dag slechts 237 te koop waren.
Tweehonderdzevenendertig. Ik telde de mensen voor ons in de rij, 43, en begon te rekenen. Maximaal 10 kaartjes per persoon. Wie weet stuurden de viersterrenhotels elke ochtend een handvol kamermeisjes naar het Alhambra om voor hun gasten kaartjes te halen, en die opa en oma daar, zouden zij kaartjes kopen voor hun kinderen, kleinkinderen, achterneven, oudnichten? En dan had ik nog niet eens goed zicht op de rij voor de automaten. Ik vreesde dat ik zou moeten vechten voor een kaartje. Ik schudde alvast mijn benen en armen los, scherpte mijn tanden, mijn nagels.
Tegen achten veranderde de gemoedelijke sfeer geleidelijk in een zenuwachtiger en vooral minder tolerante variant. Ineens werd iedereen die kwam aangesjokt scherp in de gaten gehouden. De laatsten die voor in de rij wilden ritsen werden door de eersten onverbiddelijk met  uitgestoken wijsvinger naar achteren verwezen, want zij waren het gepeupel dat de wekker te laat had gezet, rustig had ontbeten en op z’n elfendertigst naar het Alhambra was geslenterd, en niet, zoals wij, liefhebbers van cultuur, hoeders van de nacht, al vier uur tollend van vermoeidheid in de rij stonden. Nee, hun plek was achteraan, hun plaats was het stuitje van de rij.
Om acht uur gingen de kassa’s open. Een ordebewaker regelde het voorspoedig verloop van de verkoop door een lint steeds omhoog te houden om druppelsgewijs een paar bezoekers door te laten,  die zich vervolgens verdeelden over de rijen voor de vier kassa’s. Daarna werd het lint weer gesloten.
Hij liet de eerstwachtenden door. Ze kochten hun kaartjes, en aangezien er vier kassa’s open waren, en ook de kaartjesautomaten werkten, daalden, zo zagen we op het scherm, het aantal beschikbare kaartjes snel van 237 naar 210, naar 183.
Ik hoopte vurig op een elektronische storing waardoor de kaartjesautomaten plat zouden komen te liggen, ik hoopte op haperende knopjes, trillende schermen, creditcards die een voor een zouden worden opgeslokt. Maar het aantal beschikbare kaartjes daalde rap en gestaag.
‘We get the tickets, for sure,’ murmelde de Oezbeek, alsof hij een bezwering uitsprak. ‘For sure, for sure.’
De Amerikaanse lachte niet meer. Haar man drentelde heen en weer. Ik moest plassen, heel nodig.
We hielden nauwlettend de stand van het aantal beschikbare kaartjes in de gaten, wisselden wanhopige blikken. Na twintig minuten werd ook voor ons het lint omhoog gehouden.
Nu heb ik de betreurenswaardige gave om altijd de verkeerde rij te kiezen op momenten dat mijn levensgeluk aan een zijden draadje hangt. Ik stond achter een Frans stel dat met hun ellebogen op de balie discussieerden over het aantal kaarten dat ze wilden kopen, zouden ze er voor de zekerheid ook maar een halen voor tante Angélique, misschien voelt ze zich inmiddels beter, en het tijdslot voor de paleizen, tja, liever ‘s ochtends, of misschien toch ‘s middags, wat denk jij, mon amour? Kortom, een discussie die ze ook hadden kunnen voeren tijdens de vier nachtelijke uren in de rij.
Toen ze – onze lieve heer zij geprezen – eindelijk een beslissing hadden genomen, moesten ze ook nog uit de duistere krochten van hun rugzak de portemonnee opsnorren, die, zoals bleek uit de etenswaren die werden uitgestald op het plankje naast de kassa, onder een half stokbrood, zes pakjes vruchtensap, een flesje water en een dubbelgevouwen krant lag.
Dit alles veroorzaakte bij mij een dermate hoog stressniveau dat de druk op mijn blaas onhoudbaar werd en ik serieus overwoog om dat halve litertje urine dan maar te laten lopen, hier, bij de kassa’s, voor de ingang van het Alhambra.
Toen de Fransen eindelijk hadden betaald en hun voedselpakketje weer hadden opgeborgen, schoot ik als een kogel uit een kanon naar voren en zei dat ik heel graag een kaartje wilde, voor welk tijdslot dan ook. De vrouw achter de kassa ramde op het toetsenbord. Ik volgde nauwlettend haar bewegingen, haalde tegelijkertijd alvast het geld uit mijn portemonnee. Met trillende handen schoof ik een twintigeurobiljet onder het glas naar haar toe. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat de Oezbeek en de Amerikaan links en rechts van mij hetzelfde deden.
Het ratelen van het printertje was gelijk engelengezang. De verkoopster schoof het toegangsbewijs naar mij toe en wenste me veel plezier. Ik griste het papiertje uit haar handen. Ja, het stond er echt:  Alhambra, Generalife, met een tijdslot van half elf tot elf uur voor de Palacios de Nazaries.
Jubelend hield ik mijn kaartje in de lucht. De Oezbeken maakten een vreugdedansje, de Amerikanen pinkten een traantje weg. Voor het oog van de ganse rij vielen we elkaar uitgelaten in de armen.
Zo dadelijk zou ik door de parken huppelen, het rode kasteel bestormen, het uitzicht over Granada opslurpen, de paleizen bewonderen.
Maar eerst moest ik naar de wc.