31 juli 2016

Kalverliefde

By In heinde 7 min

Op de kaart zwom een zwaan in een diepblauw meer. Achterop stond: ‘Ik hou nog steeds van je. x. Danny.’ De kaart lag in een van de dozen met brieven, ansichten, kattebelletjes en allerhande schrijverijen die in de loop van mijn leven op enig moment op enige wijze tot mij waren gekomen. De meeste waren voorzien van datum, maar deze kaart niet. Ik herinnerde me ook niet meer waarom ik ‘m kreeg.

Danny herinnerde ik me nog wel. In groep acht zat hij schuin achter mij. Tijdens de lessen kreeg hij van de meester de meeste krijtjes naar zijn hoofd gegooid. Bij nachtelijke speurtochten liep hij steevast voorop en leidde hij ons, bangelijke meisjes, met een zaklamp en een stok door de duisternis. Een keer haalde de politie hem uit de klas omdat hij een vuurtje had gestookt in het bosje achter de school.
Ik was op Danny. Danny was op mij, maar ook op Priscilla. Priscilla was op alle jongens en alle jongens waren op Priscilla, want Priscilla had blonde krullen en tietjes. Ze droeg oorbellen die rinkelden als ze heur haar naar achteren schudde en om haar hals hing een goudkleurig hangertje met haar naam erop. Ze had al stiekem gezoend met een jongen op een brommer.
Ik had een brilletje, steil haar dat ik in twee staartjes droeg en onder mijn trui-met-de-ijsbeer was vooralsnog geen enkele bolling te ontdekken. Ik had niet gezoend, ook niet stiekem. Tijdens taalles grabbelde ik wel in het geniep in de la waarin smurfensnot lag, een strikt verboden met shampoo gevuld boterhamzakje dat ik elke week moest vervangen omdat het knapte met als gevolg dat de vulpen nog dagenlang uit mijn handen glibberde.
Wat de reden was dat Danny mijn liefde beantwoordde weet ik niet, maar ik denk dat hij onder de indruk was van mijn touwtjesspringvaardigheden, elastiektechnieken of flikflakcapaciteiten, want ik mocht dan geen tietjes hebben, lenig was ik wel. Waarschijnlijk daarom werd ik als enig meisje voor zijn verjaardagsfeestje uitgenodigd. Na afloop bracht hij me naar huis. Bij de schutting gaf hij bij wijze van afscheid een kus op mijn wang en zei: ‘Slaap lekker en tot morgen.’ En toen was het aan.
Sindsdien liepen we samen naar school. Als ik me in de klas omdraaide en naar hem keek, dan keek hij naar mij. En als hij tijdens de pauzes op het schoolplein voetbalde en scoorde, rende hij dwars door de springtouwen, en stopte ik terstond met mijn flikflak zodat we op de een of andere manier beiden verstrikt raakten in een elastiek en de hele klas joelde: zoenen, zoenen!
Later in het jaar, na de Cito-toets, gingen we vier dagen op kamp. De jongens sliepen in de jongensslaapzaal vol stapelbedden, en de meisjes in de meisjesslaapzaal vol stapelbedden, en de voordeuren van beide zalen kwamen uit op de gemeenschappelijke ruimte. Daar zaten de juffen en meesters als hoeders van rust, reinheid en regelmaat.
De zalen hadden ook achterdeuren. Na gesmoes en gebons op de muren werd er op de eerste avond besloten dat de meisjes die een vriendje hadden op excursie gingen naar de jongensslaapzaal. Priscilla had tijdelijk geen vriendje, maar het was haar idee, dus zij was de aanvoerster. Opgetogen dat ik ook eens bij een groepje hoorde dribbelde ik via de achterdeur achter de rest aan.
Het liefdespad naar Danny was bezaaid met obstakels. Eenmaal in de jongensslaapzaal ploegde ik mijn weg door zweetsokken en stinkshirts. Tot overmaat van ramp vloog ik net aan een lampenkap door de zaal toen de deur open zwaaide, waardoor mijn vlucht vroegtijdig eindigde onder de dekens bij een jongen die zeer zeker Danny niet was. De hoofdmeester sommeerde ons onmiddellijk de slaapzaal te verlaten, en zo liepen we onverrichter zake in onze pyjamaatjes via de gemeenschappelijke ruimte door de voordeur onze meisjeszaal weer binnen.
De volgende dag gingen we naar de Veluwe. Op de heenweg fietste Danny naast Priscilla, tijdens het bezoek aan het Kröller-Müller Museum stond Danny naast Priscilla, en op de terugweg praatte Danny met Priscilla, en aangekomen op het basiskamp kroop ik ziek van jaloezie in mijn stapelbed.
Omdat ik vanuit die positie niemand in de gaten kon houden, stuurde ik mijn beste vriendinnetje eropuit om te achterhalen waar Danny was, wat hij deed en vooral of Priscilla bij hem in de buurt was, die trut.
‘Ik kan ze niet vinden,’ zei Marie. Ze ontweek mijn blik.
‘Ik denk dat Danny met Dave is,’ zei ik. ‘En Priscilla met Vanessa.’
‘Ja,’ zei Marie, ‘dat denk ik ook.’
Af en toe liet ik me expres uit het stapelbed vallen. Meestal keek een juf of een vriendinnetje dan even om de hoek om zich ervan te vergewissen dat ik nog leefde. Maar er was er maar een die ik aan mijn bed wilde, en die ene kwam niet. Na twee uur liep ik ziek, zwak en ten einde raad dan zelf maar naar de gemeenschappelijke ruimte.
In de hoek stond Danny met Priscilla. Ik hoestte. Danny draaide zich om en slenterde naar mij toe.
‘Hoi,’ zei hij. ‘Gaat het?’
‘Ja,’ zei ik. Ik liet mijn onderlip trillen. ‘Het gaat wel.’
‘Goed zo,’ zei hij. ‘Slaap lekker en tot morgen.’ En toen was het uit.