14 februari 2017

No hospital, no!

By In heinde 5 min

Op een zaterdagochtend, net toen ik mijn tanden in een vers broodje besmeerd met kipkerriesalade zette en tevreden mompelend de krant opensloeg, hoorde ik gehijg op de trap.
De hond van de bovenburen, vermoedde ik, die zichzelf had uitgelaten en nu wachtte tot hij weer door de buurman werd binnengelaten. Er klonk geschuifel, een bonk, nog meer gehijg. Nee, dacht ik, het is niet de hond, maar de bovenbuurman die zichzelf heeft uitgelaten, een eindje heeft gejogd en nu uitpuft op de overloop totdat hij weer door de buurvrouw wordt binnengelaten.
Ik knabbelde aan de bruine korst en concentreerde me op de buitenlandse politiek. Nu hoorde ik ook gekreun. Het zijn, dacht ik, natuurlijk de buurman én de buurvrouw! Ze waren sámen gaan joggen en hadden besloten de lichamelijke oefening te verlengen met acrobatische zaterdagochtendseks op de trap.
Mijn buurman had zijn krachten blijkbaar al verspeeld, of juist niet, want een half uur later waren ze nog bezig. Geïrriteerd liep ik naar de deur. Ik zou ze eens even stevig de waarheid vertellen. Seks op jullie éigen trap! Treetje omhoog, deur dicht, dan kan ik me concentreren op de wereldproblematiek en de mogelijke oplossingen die worden aangedragen door de verschillende politieke partijen.
Ik rukte de deur open. Tegenover me, in de deuropening van de bovenburen, lag een jongen die mijn buurman niet was. Hij ademde zwaar, zijn rechterhand lag op zijn borst, zijn vingers waren verkrampt.
I’m dying,’ lispelde hij.
Wait!’ zei ik.
Ik rende terug naar de woonkamer en rukte mijn mobieltje uit de oplader. 112, ambulance, adres.
‘Het slachtoffer gaat dood,’ zei ik. ‘Snel!’
‘Ziet hij blauw?’ vroeg een vrouw.
‘Nog niet,’ piepte ik. ‘Maar zo misschien wel.’
‘Een ambulance is onderweg,’ zei ze. ‘Als hij blauw wordt, belt u terug en dan zal ik u precies vertellen wat u moet doen.’
Ach lieve heer in de hemelen, het enige wat ik van het menselijk lichaam weet is: het hart pompt, bloed is rood. Maar hoe moest ik een hartmassage geven? Hoe kon ik een slachtoffer op een trap in zijwaartse ligging manoeuvreren zonder zijn rug te breken?
Op een drafje liep ik terug naar de jongen. Zijn ogen puilden uit en op zijn lippen zaten witte spuugbelletjes. Hij hapte naar lucht.
Please,’ zei ik. Ik hief mijn handen ter bezwering boven zijn borst. ‘Stay there!
Ik roetsjte de trap af en opende alvast de voordeur voor de ambulancemedewerkers. Daarna spurtte ik weer naar het slachtoffer. Pas nu merkte ik de hond op die boven aan de trap hijgend naar beneden keek.
‘Oké,’ zei ik tegen de jongen, de hond en mezelf. ‘Rustig blijven. Alles komt goed.’
Om een schijn van gemoedelijkheid en huiselijkheid te creëren, ging ik onderuitgezakt tegen de muur naast hem zitten en brabbelde onsamenhangend over broodjes besmeerd met kipkerrie, klimaatverandering en honden die zichzelf uitlaten.
Enkele minuten later klonk een sirene. Ik roffelde de trap weer af, de straat op. Twee mannen sprongen de ambulance uit, waarvan een met blauwe ogen, zo blauw als de hemel van onze lieve heer. Ik wankelde, in de hoop dat hij me soepeltjes in zijn armen op zou vangen, maar hij draafde langs mij heen, de trap op. Ik volgde met haastige spoed.
De ambulancemedewerkers knielden neer naast de jongen.
Did you drink?’ vroeg de blauwogige. Hij opende zijn koffertje.
No drink, no,’ zei de vriend of de broer of de kennis van de bovenburen.
Did you take other things?
Maybe.
Daadkrachtig klitte het woest aantrekkelijke heerschap een hartslagmeter om de bovenarm van de jongen en pompte lucht in de band. Dat was nog eens een kerel. Eentje die levens redde. Misschien ook mijn leven wel.
Cocaine?’ vroeg de ambulancemedewerker.
De jongen draaide zijn hoofd weg. ‘Maybe.’
Maybe, maybe,’ zei de man. ‘Ja, ja.’
Ze haalden apparaten en naalden en middelen uit het koffertje. Na tien minuten zei de man met zijn slaapkamerstem dat het beter was hem ter controle mee te nemen naar het ziekenhuis.
No hospital, no!
Nou, als hij niet wilde, dan wilde ik wel. Loeiende sirenes en zaterdagochtendseks op de brancard.
Why not?’ vroeg de medewerker.
Brother back from holiday!’ hijgde hij. ‘No!
Ja, nu begreep wel ik dat hij niet naar het ziekenhuis wilde, want het is niet prettig om op de spoedafdeling te liggen, terwijl je broer bij thuiskomst ontdekt dat de zakdoekjes die hij op de keukentafel voor jou had achtergelaten om de drollen van de hond mee op te rapen en te deponeren in een vuilnisbak, zijn gebruikt om wit poeder van je neus te vegen.
Maar de ambulancemedewerker was onverbiddelijk. Hij liep langs het slachtoffer heen de trap op, en kwam terug met een paspoort en een lange broek.
‘De hond is boven,’ zei hij.
Ik mokte. De blauwogige keek mij streng aan.
‘Goed,’ zei ik. ‘Ik gá al.’
De broer van de buurman werd de ambulance in geschoven. Ik sloot de voordeur en sjokte de trap op. Aan tafel las ik de krant. Onder mijn stoel hijgde de hond.