10 september 2018

Hotel des Indes

By In heinde 4 min

Monumentendag is bij uitstek zo’n moment waarop je als doodgewone hardwerkende sterveling eens kan proeven van de grandeur die de groten der aarden tot hun beschikking hebben.
Met een vriendin ging ik naar het Hotel des Indes. We liepen langs de portier met hoed en slipjas, over de rode loper naar binnen, zoals voor ons ook de Dalai Lama had gedaan, en Mick Jagger en grootvorsten, keizers en koningen.
Ineens bevonden we ons in een wereld van tapijten waarin je voeten wegzakten, van geschilderende tulpen op de wanden, pilaren van gevlamd marmer, kroonluchters, glas-in-lood ramen, sfeervol licht, lage stoelen met donkerpaarse of rode bekleding, leuningen bedekt met fluweel.
We zetten onze eerste schreden op de trap.
‘Dames!’ zei een stem.
Afgevoerd. Afgezet bij de politie. Vrouwen in spijkerbroek en op afgetrapte gympen werden niet getolereerd in dit vijfsterrenhotel uit de negentiende eeuw, zelfs niet op Monumentendag.
We draaiden ons om.
‘Goedemorgen,’ zei een man in smoking. ‘Welkom, dames.’
‘Oh, ja, hallo, goedemorgen,’ zeiden wij in koor.
Hij spreidde zijn armen.
‘Als u straks nog een kopje koffie wilt drinken, of als u wilt lunchen, bent u van harte welkon in de ruimte hiernaast.’
‘Dank u,’ zeiden we. ‘Dank u wel.’
We liepen verder omhoog. Rijkdom verdubbelde zich in de enorme spiegels aan de wanden. In potten stonden palmen waarvan de punten níet bruin waren, en op de eerste verdieping stond meubilair van glanzend hout en bewerkte goudkleurige handvatten. Ruimtes die pasten in een scène waarin vrouwen met ruisende jurken nippen aan wijn uit glazen van kristal, met mannen in smoking, pianomuziek uit de hoek, amuses met kaviaar. Of het decor van een film waar de schurk al rollend door glaswerk en ruiten aan zijn achtervolgers ontsnapt.
We hingen over een cirkelvormige reling en keken neer op de tafels van de hotelgasten die gepocheerde eitjes aten, gerookte zalm, versgebakken broodjes. Ze nipten uit glazen met versgeperst sap, rinkelden met hun lepeltjes tegen de rand van hun kopjes koffie.
In de balzaal stonden op schildersezels grote zwartwit portretten van beroemde bezoekers van dit hotel. Mata Hari, Paul Kruger, de danseres Anna Pavlova, die, zei de gastheer, hier overleed nadat ze kou had gevat. Op een van de statafels lag een menukaart die stamde uit de tijd dat een gin-tonic nog één florijn en vijftig centjes kostte.
Een vrouw haalde uit haar handtas een camera, schoof de vitrage van de balzaal opzij en zoemde in op het Lange Voorhout, waar op de kunst- en antiekmarkt, honderden bezoekers schuifelden langs kramen met schilderijen en koperen kannen. De eerste herfstbladeren dwarrelden naar beneden, de rook van de gietijzeren pannen van de flensjesbakker walmde omhoog.
We dwaalden nog eens door de vertrekken en liepen uiteindelijk naar beneden. Om zo’n trap af te schrijden, dacht ik, in een avondjurk van Gucci, met armbanden van goud en een ketting ingelegd met robijntjes.
Beneden, voor de receptie, stond de man met gespreide armen ons op te wachten. Misschien was het de bedoeling dat we vanaf de vijfde trede in zijn armen zouden springen.
‘Dames,’ zei hij. ‘Lunch?’
‘Hartelijk bedankt,’ zei ik. ‘Maar wij wandelen eerst even een rondje over het Lange Voorhout.’