Het miezerde.
Het regent, het regent, zong het meisje. Ze reed op de stoep van de Johan van Oldenbarneveltlaan, op haar roze kinderfiets met zijwieltjes, de spaakkralen ratelden.
Naast haar liep haar opa met een grote boodschappentas waaruit drie stengels prei staken en de bladeren van een bloemkool.
Het regent, zong ze, de pannekes worden nat.
Aan haar linkervoet zat de rechterschoen, aan haar rechtervoet de linkerschoen. Ze trapte stevig door, voorbij een tuin waar een bouwvakker aan zijn sigaret trok en rookwolkjes de lucht in blies, onder een tulpenboom in knop, over een loszittende tegel.
In grote passen liep opa achter haar aan, maar aan het begin van een heuveltje verloor ze snelheid. Opa duwde haar met zijn hand omhoog.
Ik kan het zélf, riep ze.
Hup dan! zei opa. Hij gaf een zetje in haar onderrug.
Er kwamen twee boerinnetjes, zong ze, voorovergebogen over haar stuur, die vielen op hun kinnetjes.
Eenmaal op het hoogste punt stopte ze even, haar schoenen achter de trappers gehaakt. Ze keek achterom naar haar opa en ging toen hoog op de trappers staan.
Heuvelafwaarts ging het rap, ze schoot rakelings langs een paaltje en schuurde iets verderop met de mouw van haar jas langs een beukenhaag. Opa liep in een drafje achter haar aan, bij elke stap stootte de boodschappentas tegen zijn knie.
De pannekes worden nat, zong ze. Er kwamen twee…
Naar rechts! riep opa haar achterna.
Met een ruk zwiepte ze haar stuur opzij en ze verdween samen met de soldaatjes de zijstraat in.
10 maart 2024