20 december 2018

Het alternatieve kerstdiner

By In heinde

Marjan was Mariah spuugzat. Dat gejengel over een gelukkige kerst kwam haar de keel uit. Ze had ook meer dan genoeg van geurkaarsen, verlichte kerstmannen die aan de goot hingen en twaalfgangendiners. Vanaf nu deed ze niet meer mee aan dit circus. Een voor een trok ze de keukenkastdeuren open en zette met een klap de spullen op het aanrecht.
Door het raam zag ze dat Diederik zijn auto parkeerde, net voor het kerstdiner terug van zijn zakenreis. Vanuit de gang klonk gestommel, daarna hoorde ze het geklak van zijn schoenen over de eikenhouten vloer.
‘Mar, de tafel is nog niet gedekt!’ riep hij. Zijn voetstappen naderden de keuken. Vanuit de deuropening keek hij haar verbijsterd aan. ‘Je weet toch wel dat Olivier en Jan-Peter zo komen?’
‘Leuk dat je er weer bent,’ zei ze. ‘Help je even?’
‘Helpen?’ zei hij. ‘Ik de kerstboom, jij het diner. Zo doen we het al járen.’
Zo deden ze het inderdaad al dertig jaar. Steevast haalde hij op zes december de kerstboom in huis, drapeerde wat engelenhaar in de takken en hing een paar ballen in de den. Zij was daarentegen dagenlang bezig met het voorbereiden van het kerstdiner waarvan hij de recepten aandroeg. Pas wanneer ze bijna alle gangen had opgediend en ze in de keuken de laatste hand legde aan het dessert, vroeg hij vanuit de woonkamer ‘of hij nog iets kon doen’.
‘Wat is dit?’ Diederik wees naar de twee blikken met sperziebonen die ze op het aanrecht had gezet, een pot mayonaise, peper en zout, een zak aardappelen, de kipfilet die nog moest ontdooien.
‘Een alternatief diner,’ zei ze.
‘Jij bent toch helemaal niet alternatief.’ Hij trok de knoop van zijn stropdas losser. ‘Jij ben toch altijd van de chic.’
‘Jíj bent van de chic, Diederik,’ zei ze. ‘Maar ik wil eens iets anders.’
‘Iets anders?’ Hij trok zijn linkerwenkbrauw op.
‘Ik heb er geen zin meer in,’ zei ze. ‘In die amuses op bedjes van bloemblaadjes, in witte thee gemarineerde zeebaars, nogaparfait bestrooid met chocoladepitten.’
‘Ik zei nog, maak er niet te veel werk van,’ zei hij. ‘Kaviaar met meloenballetjes is ook goed. Tongschar en paling in een beure blanc-saus met gezouten citroen en gerookte boter. En als dessert panna cotta met choco-rumsaus en gegratineerde tamarillo’s. Of zoiets.’
De bel ging. Diederik haastte zich naar de voordeur. In de gang klonken gedempte stemmen. Even later verschenen haar man en zonen in de keuken.
‘Jullie moeder begint net met het kerstdiner,’ zei Diederik, ‘Ze wil alternatief.’
‘Alternatief?’ zei Peter-Jan. ‘Ma is toch chic?’
‘Hoeveel gangen is alternatief?’ zei Olivier.
‘Je hoort het, schat,’ zei Diederik. ‘Alternatief zit er niet in.’
Haar zoons leunden met hun handen in de zakken tegen de deurpost en de koelkastdeur. Maatpak, handgemaakte Italiaanse schoenen van kalfsleer. Evenbeelden van hun vader.
Ze rukte een keukenla open.
‘Hier.’ Ze gaf de blikopener aan haar man en knikte naar de blikken met sperziebonen. ‘Begin jij maar met het diner.’
Ze liep naar de gang. Diederik dribbelde achter haar aan met de blikopener in zijn hand.
‘Maar lieverd,’ zei hij. ‘Waar ga je heen?’
‘Weg,’ zei ze.
‘Waarnaartoe?’ vroeg hij. ‘Met wie?’
‘Met mezelf.’ Ze schoot haar jas aan, pakte haar tas en wikkelde een sjaal om haar hals.
‘Alleen?’ Hij spreidde zijn armen, en wees naar Olivier en Jan-Peter. ‘En wij dan?’
Ze stapte in haar auto en startte de motor, de verwarming blies aangenaam tegen haar scheenbenen.
‘Ben je wel voor twaalf uur thuis?’ vroeg Diederik.
‘Reken er maar niet op,’ zei ze.
Met een klap sloeg ze de autodeur achter zich dicht.
Haar zoons stonden met hangende schouders naast hun vader. Kijk ze nu toch, dacht ze, papkindjes waren het geworden. Ze vreesde dat ze hen onvoldoende had voorbereid op het leven. Misschien moest ze hun nog iets meegeven, een tip of goede raad, iets waar ze de rest van hun leven iets aan hadden.
Ze draaide het raampje open.
‘Onthoud goed,’ zei ze tegen haar zoons, ‘dat je kipfilet altijd door en door gaar moet bakken om besmetting met de salmonellabacterie te voorkomen.’
Zonder in de achteruitkijkspiegel te kijken, scheurde ze de straat, de wijk, de stad uit. Zuidwaarts ging ze, naar Antwerpen, Brussel, Parijs, nog verder misschien. Ze draaide aan de knoppen van de radio tot ze I won’t be home for Christmas hoorde en brulde luidkeels mee.