18 juli 2016

De geur van een bapaobroodje

By In verre 4 min

In Vietnam herontdekte ik het bapaobroodje. In groten getale werden ze op roosters boven vuurkorven gestoomd; een geur van pepers en ui, sojasaus en gekruid vlees walmde over de plaatselijke markt. Ik drentelde om de vuurkorven.
Aan het bapaobroodje kleefde schuld. Op de basisschool had ik een vriendinnetje met een magnetron, een moeder die haar middagen op de tennisbaan doorbracht en een vader die ’s avonds laat thuiskwam. Als we na school naar haar huis liepen, was alleen haar broertje thuis. Hij wist wat we deden in de garage, maar wij wisten dat hij vieze plaatjes had en dus verkeerden we in een permanente staat van stilzwijgende chantage.
In de garage doken we in een diepvries met veel laatjes, die we een voor een opentrokken. Gretig grabbelden we tussen het brood en de bitterballen. Het duurde nooit lang voordat we triomfantelijk die ene plastic zak omhoog hielden en gezwind naar de keuken scharrelden. Door het magnetronraampje keken we naar het draaiende plateau waar onze broodjes langzaam ontdooiden, stoomden, geurden naar specerijen. Zodra de magnetron pingelde, rukten we het deurtje open en gristen de bapao’s eruit. Blazend en hoestend hapten we in het broodje.
Een keer klonk onverwacht vroeg het klappen van een autodeur. We hoorden het omdraaien van het slot van de voordeur, de voetstappen in de gang. Mijn vriendinnetje deed de keukendeur open en wapperde met haar hand de luchtjes naar buiten. Snel slikte ik de laatste hap door. ‘Ik ruik iets,’ zei de moeder. Ze stapte de keuken binnen en zette haar tennistas op de grond. ‘Bapaobroodjes.’ ‘Nee hoor,’ zei mijn vriendinnetje. Ik schudde driftig mijn hoofd. We zetten grote onschuldige ogen op, want wij hadden geen bapaobroodjes gegeten, écht niet, wij lústten namelijk helemaal geen bapaobroodjes, gadverdámme. ‘Dat woord wil ik niet meer horen,’ zei de moeder.
Van een afstandje begluurde ik de bapao’s op de roosters. Ik snoof de geur van specerijen op en likte over mijn lippen. Uiteindelijk bestelde ik er eentje.
‘Ik lúst niet eens bapaobroodjes,’ mompelde ik, terwijl ik de bapao uit de handen van de verkoper griste. Ik zette mijn tanden erin, vermaalde het gekruide vlees en schraapte daarna de kleverige massa van mijn verhemelte. Toen ik de bapao op had, bestelde ik nog een broodje. En daarna nog een.
‘Lekker?’ vroeg de verkoper.
‘Gadverdamme,’ zei ik met volle mond. ‘Gadverdámme.’