14 september 2016

Dierenliefde?

By In heinde 8 min

‘Ja, daar is ze!’ riep hij. ‘Mijn zonnestraaltje!’
Pas toen de jongen mijn kant op draafde en mij een pootje haakte, zodat ik voorover op de tegels van de Grote Marktstraat viel, begreep ik dat hij het tegen mij had.
‘Zeg eens.’ Hij bracht zijn lippen naar mijn oren. ‘Houd jij van dieren?’
‘Dieren,’ zei ik. Ik krabbelde overeind en plukte een kiezeltje van mijn knieën. ‘Dat is een breed begrip.’
‘Breed begrip,’ zei hij. ‘Belangrijk thema.’
Hij hield een stapel formuliertjes in zijn hand. Op de grond, tegen de voorruit van een nabijgelegen winkelpand, lagen rugzakken en jassen. Zijn collega was verderop in gesprek met een blondharig en blauwogig meisje.
‘Dus?’ vroeg hij. ‘Houd jij van dieren?’
Hierop was maar één antwoord mogelijk, want als je ‘nee’ zei was je een dierenhater die de legbatterijkip het licht in de ogen niet gunde, de ongevoelige mens die er niet om maalde dat de gorilla’s in West Congo met uitsterven werden bedreigd, de egoïst die zich richtte op de eigen behoeftebevrediging zonder zich te bekommeren om deze aard, maar als je ‘ja’ zei kon je onmogelijk weigeren een handtekening te zetten op het formuliertje, waarmee je een verbintenis aanging met het lot van de legbatterijkip, de schildpad of de rood gestreepte bruin gespikkelde diepzeevis in de wateren van de Straat van Malakka, dat alles voor slechts luttele euro’s per maand. En dat was het punt, ik had al zo m’n projecten.
‘Ik wil geen abonnement op het dierenfonds en ik wil geen antidierproevenstichting ondersteunen en ik wil ook geen bijdrage leveren aan het dierenasiel,’ zei ik ferm. ‘En de panda ondersteun ik al.’
‘Dat vroeg ik niet,’ zei hij schalks. ‘Ik vroeg of je van dieren hield.’
‘Ik houd onwijs veel van dieren,’ zei ik, terwijl ik verder liep.
Maar de jongen, die niet alleen vanwege zijn uiterlijk maar ook vanwege zijn doorzettingsvermogen was aangenomen, hobbelde achter mij aan.
‘Wélke dieren dan?’ vroeg hij.
Ik hield halt en draaide me om.
‘Nou,’ zei ik, want als hij dat écht zo graag wilde weten dan zou ik hem dat eens uitgebreid vertellen. ‘Vróéger…’
Vroeger had ik een dagtaak aan het redden van de dierenwereld. Een uit het nest gevallen meesje verzorgde ik een weeklang in de schuur, met wormpjes die ik zelf uit de grond trok, en met een pipetje waarmee ik hem water gaf, totdat het meesje op een ochtend niet in zijn strobedje lag, maar dood gebeten in de hoek van de schuur.
Ik hield ook van konijnen. Eerst hadden we een zwart konijn dat Rambo heette en dat beet in iedere vinger die zich door het gaas heen wurmde. Vervolgens bouwde mijn vader een gigantisch hok waarin een Vlaamse reus rond hopte, Langoor, een vijf kilo wegend monster dat alles opvrat wat we boven door het gaas heen gooiden, inclusief rijst en macaroni. Zij bracht zeven nakomelingen voort, die, omdat ze niet allemaal in dat hok pasten, door ons werden uitgezet in het nabijgelegen bos, waar zij een ongewisse dood tegemoet gingen.
Heel veel later werd Langoor vervangen door een dwergkonijn. Wij doopten hem Ferrari, omdat hij, als we hem binnen haalden, rondjes scheurde door de woonkamer. Hij nam een aanloopje, sprintte langs de boekenkast, remde bij de stoelpoot, slipte, draaide er met een scherpe bocht omheen en vervolgde zijn ronde onder de eetkamertafel. Soms remde hij te laat, en klapte hij tegen de stoelpoot. Dan staarde hij een minuutlang verdwaasd voor zich uit en begon vervolgens te knabbelen aan de telefoonkabel.
We hadden ook kippen en een haan. We hadden duiven die weg vlogen en vissen die vroegtijdig het loodje legden, een kanarie en zo nog een reeks van vierpotigen en gevleugelden waarvan ik hield.
‘En verder,’ zei ik, ‘was ik medeoprichter van een dierenclub!’
‘Dus…’ zei de verkoper.
Dus ik had in groep zeven met twee vriendinnetjes een dierenclub opgericht. Wij hielden kwartier op onze zolder, waar mijn vader een gedeelte had  afgetimmerd, zodat we een eigen hok hadden waar een kaal peertje de dierenplaatjes verlichtte, afbeeldingen van zwarte hengsten en snoezige katten die we uit de Tina scheurden en met plakband tegen de schotten hadden geplakt.
Op eigen initiatief geld haalden we geld op voor Zeehondencentrum Pieterburen. Eerst collecteerden we door aan te bellen. Maar omdat we daarmee niet genoeg binnen harkten, vroegen we de buren of ze klusjes voor ons hadden. We wasten auto’s, trokken onkruid uit tuinen en op een zaterdag schonken we limonade op kinderfeestjes. Na twee maanden hadden we een bedrag van honderd gulden opgehaald, dat mijn moeder overmaakte naar het zeehondencentrum. Een paar dagen later ontvingen we een briefje van Leni ’t Hart, die ons hartelijk bedankte voor onze inzet.
De jongen keek mij wazig aan.
‘Van voor jouw tijd,’ zei ik.
‘Dus maar wat ik wilde vragen…’ zei hij.
‘Dus maar goed,’ zei ik, onverstoorbaar. ‘Ik druk wel muggen dood tegen de slaapkamerwand, bromvliegen vermorzel ik met de zaterdagkrant en spinnen eindigen in de stofzuigerzak. Ik ga ook met het vliegtuig op vakantie. Aan de andere kant: ik koop vrije uitloop eieren, eet nauwelijks vlees en ik sta slechts luttele minuten per dag onder de douche. Ik betaal voor een green seat als ik mijn vakantievlucht boek, deels omdat ik mijn voetafdruk op deze wereld wil compenseren, en deels om mijn schuldgevoel af te kopen. Wat ik maar wil zeggen: ik doe mijn best, op mijn manier, maar ik kan niet de hele dierenwereld redden.’
‘Dus maar de rood gestreepte bruin gespikkelde diepzeevis in de wateren van de Straat van Malakka,’ zei hij, ‘is héél erg geholpen met een kleine maandelijkse bijdrage.’
‘Het spijt me,’ zei ik. Ik keek hem recht in de ogen. ‘Maar van dát dier houd ik niet.’