11 december 2016

Rinkelende telefoons, knipperende lampjes

By In heinde 5 min

Ooit, in een ver en duister verleden, werd ik als directiesecretaresse aangenomen bij een transportbedrijf in Barcelona. Om het bedrijf en de medewerkers beter te leren kennen werd ik de eerste weken achter de receptie geplaatst. Op de receptie stond een groot telefoontoestel met veel knopjes.
De eerste dag babbelde ik opgewekt in de hoorn, maar al snel bleek ik de helft van de bellers niet te verstaan waardoor ik ze doorverbond met de verkeerde persoon. Het duurde niet lang voor ik bevend de telefoon opnam. Als ik tien mensen in de wacht had staan en alle rode en groene lampjes knipperden, drukte ik iedereen weg en sloot me op in het toilet.
Na een week kroop ik, zodra de telefoon rinkelde, hartverscheurend huilend en hyperventilerend onder de receptie, waar de salesmanager me schuddend met een pak koekjes onder vandaan moest lokken. Na twee weken vonden mijn collega’s me in de hoek van de receptie terwijl ik verwoede pogingen deed de telefoondraad om mijn nek te knopen.
De HR-manager vond het tijd voor een gesprek. Ze zei: ‘Alle begin is moeilijk, maar met ingang van vandaag ben je directiesecretaresse.’ Geruststellend streek ze over mijn onderarm. ‘Echt waar, vanaf nu kan het alleen nog maar beter worden.’
Met harde hand werd ik mijn kamertje in gedreven. Weliswaar rinkelde mijn telefoon minder vaak, maar nu had ik een baas die op de muur ramde en door het gipsen wandje heen vroeg of ik nou ein-de-lijk die fax al had verstuurd. Dat had ik niet gedaan. Wat ik wél had gedaan was het doorsturen van een e-mail naar de concurrent. Daaropvolgend stuurde ik niet ondertekende cheques naar banken, speelde per ongeluk delicate documenten door, en gaf het privé-nummer van mijn baas aan de eerste de beste vent die me door de telefoon toeblafte dat hij onmiddellijk mi jefe moest spreken. Ik vergat afspraken te noteren in de agenda. Ik reserveerde te weinig tafels in het verkeerde restaurant, of het juiste aantal tafels in het juiste restaurant, maar voor de verkeerde datum.
Gelukkig mocht ik een keer per maand notuleren bij vergaderingen, waarbij de regiomanagers tijdens hun presentaties uiteen zetten hoeveel vrachtwagens welke routes reden. Dromerig keek ik naar buiten. Mijn gedachten gingen al snel uit naar vrachtwagens die reden naar een land heel, héél ver weg. Af en toe noteerde ik een woord. Aan het einde van de vergadering had ik een rijtje. Dat rijtje reeg ik aaneen tot een verhaaltje. En dat verhaaltje stuurde ik op naar de regiomanagers, die me vervolgens per e-mail verzochten of ik alléén mijn aantekeningen zou willen opsturen, dan zouden ze het verder zelf wel uitzoeken.
Als ik te veel fouten had gemaakt, vluchtte ik naar beneden, naar het magazijn waar de vrachtwagens werden gelost en geladen. Ernaast stond een kantoortje waar altijd wel chauffeurs of schoonmaaksters te vinden waren. Ze gaven me koffie, koekjes en een knuffel. Onder de Pirelli-kalender slurpte ik mijn koffie op en daarna pafte ik een half pakje sigaretten van een chauffeur weg, totdat mijn baas mijn naam door het magazijn brulde. Op dat moment sprong ik op, trok een sprintje naar het magazijn en dook onder een vrachtwagen. Ik klampte me aan de stalen bedrading vast en drukte mijn lichaam tegen het onderstel van de truck, waar de chauffeur me schuddend met een pakje sigaretten onder vandaan moest lokken.
Het was voor alle betrokkenen een hele opluchting dat ik na een jaar ontslag nam.