30 januari 2018

Buurtonderzoek

By In heinde 4 min

‘Goedemorgen mevrouw, wij zijn van het ROC Mondriaan. In samenwerking met de politie doen wij onderzoek naar uw buurt,’ zei een meisjesstem door de intercom.
Ik ben gek op onderzoeken. Ik drukte langdurig op de knop om de poort te openen.
Buurtonderzoek. Misschien hield het verband met een brief die ik een paar maanden eerder van de stadsdeeldirecteur had gekregen. Hij schreef dat wij allemaal in een schone en nette buurt willen wonen. Maar, beste buurtbewoner, nu was er melding gemaakt van overlast door zwerfafval, wat meeuwen en ongedierte aantrekt. Mocht ik, beste burger, rondzwervend vuil opmerken, dan kon ik contact opnemen met de gemeente. Ook zouden handhavers, zowel in uniform als in burgerkleding, extra surveilleren. Zo nodig zouden zij handhavend optreden.
Ik ben gevoelig voor dat soort dreigementen. Daarom zorgde ik ervoor dat mijn vuilniszak geheel in de afvalcontainer verdween, om te voorkomen dat de handhaver mij staande zou houden en een bekeuring zou uitschrijven. Ja, ik drukte de zak zo ver in de container dat de sinaasappelschillen, tonijnsnippers en bruine bonen van een andere beste buurtbewoner aan mijn mouwen plakten als ik mijn arm terugtrok. Als de zak er na stevig duwen tóch niet in paste, dan trok ik hem er weer uit, en sleepte ik, bange brave burger, mijn vuilniszak terug naar huis, met in mijn kielzog het spoor van een onbestemd sapje dat onder uit de zak sijpelde.
Ik was dus razend benieuwd naar het onderzoek. Een jongen en een meisje liepen de hoek om, het pad naar mijn huis op. Ze droegen gympen, een spijkerbroek en een fleecejack met op de borst het rood-geel-blauwe teken van het ROC Mondriaan.
‘Dag mevrouw,’ zeiden ze in koor, toen ze voor me stonden. Ze gaven me een hand en stelden zich voor.
‘Willen jullie binnenkomen?’ vroeg ik, want ik verheugde me op een lijst van tientallen vragen over het aanbieden van huisvuil en rondzwervende zakken.
De jongen schudde zijn hoofd.
‘Het duurt niet lang,’ zei het meisje. Ze klemde haar schrijfblok vast en haalde het dopje van de pen. Ik leunde tegen de deurpost. De wind streek langs mijn enkels, boven klapperde een raam.
‘Hoe oud bent u?’ vroeg ze.
’38,’ zei ik.
‘Hoe lang woont u hier al?’
‘Twee en een half jaar.’
Ze schreef mijn antwoorden op. De pen kraste in het papier. Op de een of andere manier vond ik het hoopgevend, een zestienjarige die in dit digitale tijdperk een balpen vasthield en inkt aan haar vingers had.
De jongen keek langs mij heen, de woonkamer in.
‘Wat vindt u goede punten van deze buurt?’ vroeg ze.
Ik zei dat er veel positieve punten waren. Het was op loopafstand van het centrum en toch heel rustig, het was groen, een straat verderop waren een paar cafés, de supermarkt was dichtbij…
‘Dat is wel genoeg, hoor,’ zei ze. ‘En de negatieve punten?’
Ik dacht na. Ja, katten poepten in mijn tuin, in de zomer rookten de achterbuurjongens tot twee uur ‘s nachts in de tuin en schalden hun stemmen over de tuinen, de buren hadden driekwart jaar verbouwd, maar dat was nu voorbij.
‘Ik weet het niet,’ zei ik uiteindelijk.
‘Nee?’ De jongen schudde meelevend zijn hoofd.
Het meisje opende haar mond, maar sloot die daarna weer, alsof ze alleen een hapje uit de lucht nam. Waarschijnlijk hadden ze de duidelijke instructies gekregen. Open vragen, dat is belangrijk. Niet zélf met antwoorden op de proppen komen. De geinterviewde zélf laten nadenken. Maar ik had toch de indruk dat ik ze tegemoet moest komen. Zelf wilde ik ook best wel een spannende anekdote vertellen over een dievegge die ik in mijn huis op heterdaad had betrapt en die ik met ferme klap op het hoofd te gronde had gericht waarna ik triomfiantelijk de politie belde.
‘Ik heb niet gehoord van inbraken in de buurt,’ zei ik verontschuldigend. ‘Ik heb nooit drugsdealers gezien, of gebruikte naalden op straat, ik ben nooit getuige geweest van een gewelddadige overval.’
‘Dan we weten genoeg,’ zei het meisje. Ze drukte de dop op de pen en stak die in haar jaszak. ‘Bedankt.’
‘Wat wordt er gedaan met het onderzoek?’ vroeg ik.
‘Het wordt onderzocht,’ zei de jongen.
Het meisje drukte het schrijfblok tegen haar borst, alsof de genoteerde antwoorden van het papier konden waaien. Ze gaven me een hand en liepen weg.
Ik had de indruk dat ze lichtelijk teleurgesteld waren, en dat dat mijn schuld was.